11 Therapie

if you wait for perfect conditions

Al deze beschouwingen zouden kunnen leiden tot een doemdenken over mislukte hechting en doen besluiten “dat het mislukt is en er nu eenmaal niets aan te doen is”. Maar niets is minder waar. Het is niet omdat iets moeilijk is dat het onmogelijk is.
Wellicht zorgt ons survival mechanisme eveneens voor de mogelijkheid dat, wanneer iets verkeerd gelopen is, wij in staat blijken tot herstel op een andere manier, via hulp van iemand anders.
Zo kunnen wij het succes verklaren van psychotherapie.
Ondanks de zogenaamde verschillen in de scholen die zijn ontstaan sinds eind 1800 kunnen we stellen dat elke therapie berust op het vormen van en specifieke band tussen cliënt en therapeut, die in feite vergelijkbaar is met de band met een hechtingsfiguur.
Het creëren van een “veilige omgeving” is zeer belangrijk. Elke therapie waar dat gevoel van veiligheid er niet komt voor de cliënt in de relatie met de therapeut, is gedoemd tot mislukken. Bovendien is het ook zeer belangrijk de cliënt te laten veiligheid ervaren, zowel in de praktijkruimte als daarbuiten. Vandaar het belang van het “installeren van een veilige plek” waar de cliënt zich in zijn verbeelding kan terugtrekken en veilig voelen. Hij leert zo ook controle krijgen over zijn angst.
Als integratief therapeut leer je wat groeien is : het komt neer op een steeds beter functionerend ego opbouwen, dus meer en meer je “ware zelf” worden. Groei induceren bij een cliënt kan op 3 manieren gebeuren : inzicht bijbrengen, vaardigheden aanleren en bevrijden van het storend effect van vroegere traumatiserende ervaringen.
Er wordt dus in feite gewerkt om meer zelfvertrouwen te creëren, inzicht te krijgen in de mechanismen die werken en ons soms blokkeren, een nieuwe manier van reageren ontwikkelen wat neerkomt op meer affecttolerantie en leren emoties gebruiken voor het verwerken van tegenslagen, en je negatieve kantjes leren kennen zonder jezelf te veroordelen,….
In de Cliënt- centered therapie staat het belang centraal van empathie, dit is : veiligheid creëren, onvoorwaardelijke aanvaarding van de cliënt, laten blijken dat wat hij vertelt waardevol is, verhogen van het zelfvertrouwen. Verhogen van zelfvertrouwen kan door het geven van positieve strokes.

Dit vinden we niet alleen terug in de Transactionele analyse theorie maar komt herhaaldelijk terug. In het eerste opleidingsjaar was het verhogen van het zelfvertrouwen een doel op zich. Herhaaldelijk kreeg men positieve waardering voor hetgeen men presteerde, iedere deelnemer ontving opgemerkte“positieve eigenschappen”vanwege elke klasgenoot…..
Cognitieve therapie legt de nadruk op het ontdekken van negatieve cognities en ze ontkrachten,waarna positieve cognities moeten eigen gemaakt worden.
Focusing vertrekt van hoe men zich lichamelijk voelt. Wat onbewust verdrongen is, vertaalt zich immers naar symptoomtaal, zegt men in het circulair systeemdenken. Soms heeft men gewoon een gevoel van onbehagen, een spanning in het lichaam. Door daar op te focussen kan men zich via beelden( trauma’s worden als beelden opgeslagen) bewust worden van wat er aan de hand is.

Daarbij leert men de blokkerende mechanismen kennen via de Interfererende Karakters die opduiken. Deze leert men buiten zichzelf plaatsen, daardoor probeert men hun werking te verhinderen zodat betere systemen kunnen geïnstalleerd worden. Het is ook zeer belangrijk dat men “wat er zich aandient vriendelijk ontvangt”.
Dit vriendelijk zijn voor jezelf leert men ook bijv. door de “rechtbank techniek” van de cognitieve gedragstherapie.
Mijns inziens is ook een houding vergelijkbaar met “atunement” belangrijk in therapie. De cliënt ervaart dat je er bent voor hem, dat hij op je kan rekenen op momenten dat hij het nodig heeft.

Dit blijkt niet altijd even gemakkelijk omdat sommige cliënten natuurlijk door het systeem waarin zij vastzitten, eerder manipulatief gaan optreden, wat moeilijk ligt voor een therapeut . Er is immers slechts beroepshalve een relatie gecreëerd.

Ik kan niet ontkennen dat men enerzijds zijn eigen grenzen als therapeut moet bewaken, en anderzijds dat sommige cliënten baat hebben bij een vaste structuur, als hun leven nogal chaotisch verloopt of wanneer zij bij depressie niet de nodige kracht vinden om het heft voldoende zelf in handen te nemen. Toch denk ik dat het bij een groot deel van de mensen die vastzitten in te lage niveaus van de ontwikkelingscyclus, heel belangrijk is dat men dat gevoel van afstemming kan nabootsen.

Eigen ervaring met therapeuten die je “vast” willen houden, onder het mom van “weerstand”die moet onderzocht worden of een andere soort van”moeten terugkomen”, leerde mij dat dit nefast is voor het vertrouwen in die therapeut. Aangezien het vertrouwen essentieel is voor het zich veilig voelen van de cliënt, mogen we als therapeut dit niet onachtzaam bekijken.

Samengevat proberen wij in therapie bij de cliënt veilige hechting te installeren.

vervolg : hoofdstuk 12 Tweelingzielen  en soulmates

6 Hechting

Hoe werkt het hechtingsproces nu precies?

bowlby-john
Het wordt door Bowlby als volgt beschreven :
Het hechtingssysteem is een gedragssysteem die de hulpeloze baby in staat stelt zich te ontwikkelen als individu binnen onze soort : de mens.
Angst is een signaal voor dreiging in de omgeving en heeft dus een beschermende functie : we moeten onszelf in veiligheid brengen om te kunnen overleven. Als baby zijn we hulpeloos en aangewezen op onze zorgfiguur om ons te beschermen en veiligheid te brengen. Het angstsysteem activeert dus hechting met een hechtingsfiguur die ons het gevoel van veiligheid moet brengen telkens wij tekenen van angst vertonen, als baby beginnen we bijv. te wenen.
Door de voortdurende interactie met de hechtingsfiguur leert de baby te hoge arousal reduceren en veiligheid ervaren. Eerst lijkt alles in de buitenwereld hem beangstigend maar gaandeweg leert de baby zijn Window Of Tolerance vergroten door telkens veiligheid te ervaren.
Naarmate het kind zich verder ontwikkelt, werken 4 gedragssystemen op elkaar in: het angstsysteem, het zorgsysteem, het nabijheidzoekend gedragssysteem, het exploratief gedragssysteem.

Samengevat leert het kind zich steeds verder, steeds zelfstandiger van zijn hechtingsfiguur te verwijderen, met de wetenschap dat het steeds naar veiligheid kan “vluchten”. Zo wordt het ondervinden van de mogelijkheid om angst te controleren, om zichzelf dus op emotioneel vlak te kunnen reguleren, de basis voor het ontwikkelen van een zelf-gevoel, een ego, een ware zelf.
Het ontwikkelen van een goed angstregulerend systeem is dus essentieel voor brede affecttolerantie, dit wil zeggen : om moeilijkheden in het leven het hoofd te kunnen bieden, trauma’s op een juiste manier te kunnen verwerken en te groeien, en dus steeds beter te functioneren.

Het toepassen van dit angstregulerend systeem gebaseerd op hechting is dus een fundament voor het kunnen op een juiste manier omgaan met alle dingen die ons in ons leven overkomen. Binnen de Window Of Tolerance is men in staat tot leren, inzicht krijgen en verwerken.
Het hechtingssysteem wordt bij alle belangrijke fasen waar interactie tussen individuen plaatsgrijpt opnieuw toegepast . Baby wordt individu, puber wordt volwassene met eigen ego, “los” van de zorgfiguren, en, essentieel voor het voortbestaan van onze soort, twee individuen vormen een paar waar elk ego tot z’n recht mag komen.
Ook alle vriendschappen en sociale contacten zijn een zoeken naar het evenwicht : “het is hier veilig om mezelf te zijn”. Of : “ik ben waardevol”, de behoefte aan waardering ter bevestiging dat we er mogen zijn als individu. Deze signalen vanuit de omgeving hebben wij constant nodig.

Is de basis echter fout, dan kan de nood aan bevestiging buitensporig zijn.
Het goed lukken van het hechtingsproces als baby zorgt voor een “veilig hechtingspatroon”: de persoon functioneert goed als mens, heeft voldoende sociale vaardigheden en kan adequaat omgaan met moeilijkheden.
Studies in de VS wijzen uit dat daar ongeveer 50% van de mensen beschikken over veilige hechting. Het zou kunnen dat deze cijfers ook voor Europa grotendeels overeenkomen. We kunnen, gezien de vele psychische problemen waarmee heden ten dage geworsteld wordt en het feit dat de maatschappij fallisch-narcistisch is, echter vermoeden dat het cijfer misschien zelfs kleiner is.
Het betekent sowieso dat het zeker voor de helft van de mensen al misloopt.

Zij hebben een onveilig hechtingspatroon waarin we kunnen onderscheiden :
angstig-vermijdend hechtingspatroon : zijn vermijdend, zijn gespannen en bang dat een relatie niet goed afloopt, stellen zich terughoudend op wat intimiteit betreft omdat ze bang zijn afgewezen te worden, ze denken van zichzelf dat ze niet goed genoeg zijn. Sterke gereserveerdheid en afstandelijkheid, minimaliseren positieve effecten van vroegere ervaringen of hebben er een slecht geheugen voor, neigen tot het idealiseren van de ouders, houden gevoelens op afstand en zien hun emotionele onafhankelijkheid als een kwaliteit. Als kind zoeken ze geen steun en troost bij de moeder, bij angst voor gevaar gaan zij zich ergens achter verstoppen i.p.v. naar hun zorgfiguur te lopen, doen alsof ze bij scheiding geen pijn of geen angst kunnen voelen (dissociatie), de relatie met de hechtingsfiguur wordt minder en minder belangrijk.
Angstig-ambivalent hechtingspatroon ,ook angstig-obsessief genoemd : willen zich heel erg binden, zijn eveneens gespannen en bang dat een relatie niet goed afloopt, willen samensmelten met de partner, maken zich erg veel zorgen of de partner wel van hen houdt, in intieme relaties neiging de partner te verstikken met die versmeltende relatie, overwaarderen hun vroegere hechtingservaringen, komen moeilijk los van ouders waarop ze nog steeds boos zijn of die ze nog steeds willen behagen, hyperalert voor tekenen van steun, acceptatie, goedkeuring, afwijzing, soms bodemloosheid (het is nooit genoeg). Als kind reageren ze sterk op scheiding, ze zoeken wel contact met hechtingsfiguur maar zijn boos of moeilijk te troosten
Gedesoriënteerd hechtingspatroon, ook gedesorganiseerd of afwijzend-vermijdend genoemd : hoog vermijdend gedrag, maken zich geen zorgen, zijn niet bang, willen hun onafhankelijkheid bewaren, stellen zich terughoudend op wat intimiteit betreft, ongeloof in de realiteit van vroegere gebeurtenissen, kunnen tijdelijke bewustzijnsveranderingen hebben, dissociatieve kenmerken,raken in verwarring bij verlies en scheiding, kunnen geen afscheid nemen, hebben moeite met dingen wegdoen, vaak borderlineproblematiek . Als kind zijn ze niet in staat om op scheiding of dreiging adequaat te reageren, hebben chaotisch gedrag, kunnen niet met stress omgaan.
– Daarnaast bestaat ook nog de volledige onthechting : zij zijn zo beschadigd dat geen hechting meer mogelijk is.
Hoofdzaak is hoe zij met de angst omgaan, enerzijds de angst om gescheiden te zijn van hun hechtingsfiguur die hen veiligheid moet geven, “angst om hechting te verliezen”, anderzijds de angst om zichzelf niet te kunnen zijn en dus afgewezen te worden, dus de “mogelijkheid tot onthechting verliezen” die ze nodig hebben om een eigen “zelf” te kunnen worden.
We zouden kunnen stellen dat vermijdend hechtingsgedrag erop wijst dat men geen vertrouwen heeft in een ander en enkel op zichzelf vertrouwt. Hier kan men kenmerken van anaal gedrag in zien : zich afzetten tegen de anderen. Opmerking hierbij is dat men meestal zichzelf nog niet kent, maar men trekt zich liever terug “in zijn schelp”dan beroep te doen op anderen. Vermijdende mensen krijgen soms het gevoel gevangen te zitten, dit zowel in werkelijkheid wanneer op een bepaald moment iemand hen te veel “vast”houdt, nl. een houding aanneemt gelijkend op die van de ouder die hen niet genoeg liet zichzelf zijn, als in hun verbeelding , wanneer zij er door de vroegere ervaringen onbewust van overtuigd zijn dat ieder ander een bedreiging is voor de ontplooiing van een “zelf”.
Sterk afhankelijk gedrag kunnen wij zien als enkel vertrouwen op de andere en niet op zichzelf, dus geen zelfvertrouwen hebben. Dit zou eerder wijzen op oraal gedrag : steeds bewijzen vragen dat men de moeite is, aandacht van de anderen vragen om bevestiging van zichzelf .
Voor borderline –type mensen zijn de angsten uitgesproken :
fusie-angst (bindingsangst), de angst om zichzelf in een ander te verliezen maakt dat zij juist degene vermijden of van degene wegvluchten, aan wie ze het meest gebonden zijn. Dit bemoeilijkt constant relaties of maakt ze onmogelijk. De fusie-angst heeft trekken van traumatische angst.
Separatie-angst (verlatingsangst) is een vorm van signaalangst : men vreest te worden verlaten. Daar deze angst met de vroege ontwikkelingsstadia samenhangt is hij vaak bijzonder heftig. Kuiper verwijst naar Bowlby voor het type dat met verhoogde separatieangst reageert : aanklampend, afhankelijk, overgevoelig voor verlating, neigend tot pathologische rouw .
In de DSM IV spreekt men, naast de ontwijkende en de afhankelijke persoonlijkheidsstoornis en de borderline stoornis, ook nog van diverse persoonlijkheidsstoornissen zoals de paranoïde, de schizoïde, de schizotypische, de antisociale, de theatrale, de narcistische en de obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis.
Blijkbaar kunnen eveneens kenmerken uit verschillende patronen in één en dezelfde persoon voorkomen. De DSM IV vermeldt deze in de restgroep van de “Persoonlijkheidsstoornis Niet Anders Omschreven “: “ Deze categorie dient voor stoornissen in het persoonlijk functioneren die niet voldoen aan de criteria van één van de specifieke persoonlijkheidsstoornissen. Een voorbeeld is de aanwezigheid van kenmerken van meer dan één specifieke persoonlijkheidsstoornis, terwijl niet voldaan wordt aan alle criteria van één van deze stoornissen afzonderlijk (gemengde persoonlijkheidsstoornis), terwijl ze met elkaar toch in significante mate lijden veroorzaken of beperkingen in één of meer belangrijke gebieden van functioneren (bijvoorbeeld sociaal of beroepsmatig).”
Bij de doorsnee, minder uitgesproken type mensen lijkt het erop dat er ook verschillende gradaties kunnen voorkomen, naast het optreden van kenmerken uit verschillende patronen terzelfder tijd.
Ik vermoed dat de reactie van beide zorgfiguren, zowel de mama als de papa, een invloed hebben op het al dan niet voorkomen van eigenschappen , en dat zelfs kenmerken zich kunnen voordoen die zich normaal zouden uitsluiten, zoals afhankelijk gedrag naar de ene persoon en vermijdend gedrag naar een ander. Hier kan het effect spelen dat een kind, naast het ontwikkelen van een eigen manier van coping, eveneens reageert op beide ouders.
Elke ouder heeft zich immers ook een patroon van reageren eigen gemaakt dat invloed heeft op hoe zij of hij omgaat met het kind. Ik denk dat het ontvangen van veel negatieve strokes of het ontbreken van strokes bepalend zijn voor hoe ernstig het kind zich afgewezen voelt door de ene of de andere ouder en dus zelf met meer afweersystemen voor verdringing van die angst zal reageren.
Later kan die grote frustratie, zoals eerder vermeld, aanleiding geven tot het revanche principe : zij zullen vaak aangetrokken zijn tot een partner die kenmerken heeft van hun frustrerende ouder, in de hoop dat zij deze partner op andere gedachten zullen kunnen brengen en zo de frustratie ongedaan zullen maken. Revanche is eerder zich afhankelijk opstellen.
Mijns inziens kan de frustrerende ouder dus zowel de moeder of de vader zijn. Zijn er frustraties met beide, dan kan men dus zowel aangetrokken zijn tot iemand die op de moeder gelijkt als revanche zoeken met iemand die op de vader gelijkt. Soms zien we dat de partner eigenlijk kenmerken van beide ouders tegelijk bezit, soms is het functioneren op één bepaalde wijze sterk uitgesproken en verwijst duidelijk naar één ouder.
De vermijdende houding kan variëren van het niet durven aangaan van relaties met personen die op de frustrerende ouder gelijkt, tot zich weinig engageren in relaties in’t algemeen, om zichzelf de pijn van het stuklopen te besparen.

vervolg : hoofdstuk 7 Verwachting