VERBONDENHEID

 

monochrome photo of couple holding hands

Een van de meest gehoorde klachten bij relatietherapie is het verlies aan verbondenheid.

Wat is dat nu precies en hoe komt het dat de ene partner het anders ervaart dan de andere?

ATTACHMENT

Een van de grote onderzoekers naar verbondenheid was de Britse psychiater John Bowlby (1907-1990) die met zijn theorie over hechting, “attachment”, het gedrag van kinderen tegenover hun ouders bestudeerde .

Het zoeken naar verbondenheid van partners in een liefdesrelatie is daarmee verwant.

Een kind is één vat emotie in zijn vroege kinderjaren. Het weet niet waar het is terecht gekomen, kan nog niets en weet nog niets, en is afhankelijk van de zorg van enkele mensen rondom hem om te kunnen overleven. Kortom, een kind is bang en zijn persoonlijkheid ontplooien en zijn rationeel verstand ontwikkelen kan maar gebeuren wanneer het een basis van veiligheid ervaart.
Enkel wanneer het zich veilig voelt zal het kunnen de wereld gaan verkennen en dingen bijleren. Bij stressmomenten zal het weer de nabijheid opzoeken van zijn zorgfiguren tot het minder angstig is of getroost is.

Bowlby concludeerde dat in contact met de zorgfiguren een gedragssysteem ontstaat om zichzelf te kunnen ontwikkelen. Het bestaat uit vier onderdelen nl. 4 systemen die bij elkaar horen en elkaar afwisselen: het angstsysteem, het zorgsysteem van de zorgfiguur, het nabijheidzoekend gedragssysteem, het exploratief gedragssysteem. Samen noemen we dit het hechtingssysteem.

Normaal kan iemand zich verder en zelfstandiger van zijn hechtingsfiguur verwijderen, met de wetenschap dat hij steeds terug naar veiligheid kan “vluchten”. De interactie met een zorgfiguur is de basis van het verminderen van angst of verdriet en het weer zakken van de stress. Dit is eigenlijk hetzelfde tussen twee volwassen partners.

Als kind krijgen we daardoor vertrouwen dat stressmoment en problemen kunnen opgelost worden, en dus dat we later zelf in staat zullen zijn met stress en verdriet om te gaan en dat alles in orde komt.

Zo worden we een voldoende zelfzeker, goed functionerend individu. We hebben de mogelijkheid onszelf maximaal te kunnen ontwikkelen in de wetenschap dat we de capaciteiten hebben om moeilijkheden in het leven het hoofd te kunnen bieden, trauma’s op een juiste manier te kunnen verwerken, te groeien, en dus steeds beter te functioneren. Eveneens is iemand met voldoende zelfvertrouwen in staat de gepaste steun te vragen van anderen.

Een goed voorbeeld hoe de stress zakt door goede respons vinden we in de tests die uitgevoerd werden door dr. Edward Tronick

Zie :  the still face experiment. Dr. Edward Tronick  

Het kind wordt angstig wanneer zijn moeder niet meer reageert op de gewenste manier.

HECHTINGSPATRONEN

Kan de zorgfiguur van een kind herhaaldelijk niet op de gepaste, dus angstreducerende manier reageren (door eigenschappen of door omstandigheden) dan zal het kind uiteindelijk zijn gedrag aanpassen naargelang de conclusies die het uiteindelijk maakt, bijvoorbeeld : “het heeft geen zin contact te zoeken met een ander , je moet het zelf oplossen”. Of bijvoorbeeld , wanneer de signalen niet consequent zijn en verwarring brengen: “je kunt niet betrouwen op anderen”, enz .

Zo zal men een verschillend type van relationeel functioneren ontwikkelen, i.e. een ander hechtingstype hebben.

In welke mate iemand beroep doet op de andere in stressmomenten is bepaald door het hechtingssysteem dat hij ontwikkelde.

Ook alle vriendschappen en sociale contacten zijn een zoeken naar het evenwicht van nabijheid of afstand naargelang de boodschap : “het is hier veilig om mezelf te zijn”. Of :
“ik ben waardevol”. Signalen van waardering ter bevestiging dat we er mogen zijn als individu vanuit de omgeving hebben wij constant nodig.

Is ons hechtingsysteem eerder “onveilig gehecht”, dan kan de nood aan bevestiging buitensporig zijn . Of anderzijds kan iemand zich meer afsluiten. Deze verschillende reacties wortelen in het verschillende patroon dat men zich eigen maakte sinds zijn kindertijd.

Typisch aan een liefdesrelatie is dat men bij de partner steun en begrip zoekt bij stressmomenten, verdriet en lastigheden. Men zoekt dus verbondenheid, namelijk een vorm van contact met de partner voor het voelen van geborgenheid. Dit is de basis van veiligheid die men moet voelen om zichzelf te kunnen zijn, zich geapprecieerd te voelen, bevestiging te krijgen van onze persoonlijkheid, erkenning te krijgen voor lastigheden waar we mee worstelen. 

De mate waarin we beroep doen op onze partner en de manier van reageren erop is afhankelijk van persoon tot persoon volgens het hechtingspatroon.

Zo kan de ene bijvoorbeeld steeds maar aansluiting zoeken in een gesprek waar de partner blijk geeft van aandacht en begrip, terwijl een ander net de boodschap wil ontvangen “doe maar, jij zult het wel zelf oplossen” door er net niét over te praten.

Deze verschillende reacties liggen vaak aan de basis van onbegrip in de relatie.

De oorzaak van deze verschillen komen voort uit het hechtingspatroon.

Naargelang de verschillende reacties heeft men 4 hechtingspatronen vastgesteld.

Deze hechtingstypes werden veelvuldig getest door o.a. Mary Ainsworth, een pupil van Bowlby. (Zie :   strange situations experiment )

1- Het goed lukken van het hechtingsproces als baby zorgt voor een “veilig hechtingspatroon”: de persoon functioneert goed als mens, heeft voldoende sociale vaardigheden en kan adequaat omgaan met moeilijkheden.
Studies in de VS wijzen uit dat ongeveer 50% van de mensen beschikken over veilige hechting.

De als “onveilige hechting” omschreven patronen zijn:

2-  angstig-vermijdend hechtingspatroon :

deze mensen zijn vermijdend, zijn gespannen en bang dat een relatie niet goed afloopt, stellen zich terughoudend op wat intimiteit betreft omdat ze bang zijn afgewezen te worden, ze denken van zichzelf dat ze niet goed genoeg zijn.

Ze hebben sterke gereserveerdheid en afstandelijkheid, minimaliseren positieve effecten van vroegere ervaringen of hebben er een slecht geheugen voor.

Ze neigen tot het idealiseren van de ouders.

Ze houden gevoelens op afstand en zien hun emotionele onafhankelijkheid als een kwaliteit.

Als kind zoeken ze geen steun en troost bij de zorgfiguur, bij angst voor gevaar gaan zij zich ergens achter verstoppen i.p.v. naar hun zorgfiguur te lopen.

Ze doen alsof ze bij scheiding geen pijn of geen angst kunnen voelen (dissociatie). De relatie met de hechtingsfiguur wordt minder en minder belangrijk.

3- Angstig-ambivalent hechtingspatroon , ook angstig-obsessief genoemd :

deze mensen willen zich heel erg binden, zijn eveneens gespannen en bang dat een relatie niet goed afloopt maar reageren op die angst met veel nabijheid zoekend gedrag   waardoor ze ahw willen samensmelten met de partner. Maken zich erg veel zorgen of de partner wel van hen houdt. Hebben in intieme relaties neiging de partner te verstikken met die versmeltende relatie.

Overwaarderen hun vroegere hechtingservaringen, komen moeilijk los van ouders waarop ze nog steeds boos zijn of die ze nog steeds willen behagen. Ze zijn hyperalert voor tekenen van steun, acceptatie, goedkeuring, afwijzing.

Soms komt bodemloosheid voor : de waardering die ze ontvangen is nooit genoeg.

Als kind reageren ze sterk op scheiding, ze zoeken wel contact met hechtingsfiguur maar zijn boos of moeilijk te troosten.

4- Gedesoriënteerd hechtingspatroon, ook gedesorganiseerd of afwijzend-vermijdend genoemd :

Deze mensen hebben hoog vermijdend gedrag, maken zich geen zorgen, zijn niet bang, willen hun onafhankelijkheid bewaren, stellen zich terughoudend op wat intimiteit betreft.

Zij hebben ongeloof in de realiteit van vroegere gebeurtenissen, kunnen tijdelijke bewustzijnsveranderingen hebben, en dissociatieve kenmerken . In extremis komt vaak borderlineproblematiek voor.

Zij raken in verwarring bij verlies en scheiding, kunnen geen afscheid nemen, hebben moeite met dingen wegdoen.

Als kind zijn ze niet in staat om op scheiding of dreiging adequaat te reageren.

Ze hebben chaotisch gedrag, kunnen niet met stress omgaan.

LIEFDESRELATIE

Deze 4 beschreven hechtingsvormen zijn uiteraard een uitgesproken typering. De meeste mensen leunen een beetje aan bij het ene of het andere type en vaak heeft men een zachtere variant. We kunnen echter wel enkele specifieke tekenen herkennen, zowel bij onszelf als bij een ander.

In een liefdesrelatie zullen wij proberen onze hechting beter te maken en negatieve ervaringen van vroeger uit te wissen. Echter stuiten reacties meestal op onbegrip omdat de hechtingspatronen verschillend zijn, zodat we soms toch nog lijken te ervaren wat we net niet wilden.

We zouden kunnen stellen dat vermijdend hechtingsgedrag erop wijst dat men geen vertrouwen heeft in een ander en enkel op zichzelf vertrouwt. Opmerking hierbij is dat men meestal zichzelf nog niet kent, maar men trekt zich liever terug “in zijn schelp” dan beroep te doen op anderen. Ook de “plantrekkers” horen hier enigszins bij.

Vermijdende mensen krijgen soms het gevoel gevangen te zitten en te veel gepusht te worden in een richting die ze niet willen.

Sterk afhankelijk gedrag kunnen wij zien als enkel vertrouwen op de andere en niet op zichzelf, dus geen zelfvertrouwen hebben. Mensen met weinig zelfvertrouwen hebben te weinig bevestiging gehad, dus zullen zij steeds vragen om bewijzen dat zij de moeite zijn. Zij vragen veel aandacht van anderen om bevestiging van zichzelf en hun manier van zijn en handelen.

Vaak zijn partners verschillend in hechtingspatroon. En wanneer partners eerder aan elkaar tegengesteld zijn van type, komen die verschillende manieren van omgaan met hechting meer tot uiting wanneer stresserende omstandigheden zich voordoen.

Niet adequaat kunen inspelen op de vraag om verbondenheid om de stress te doen dalen leidt dan enkel naar nog meer stress. 

Vandaar dat bij relatieproblemen het vermijdend gedrag van de ene onbewust het aansluitingzoekende gedrag van de andere aanwakkert.

Vaak mondt het klagen van de partner die verbinding zoekt uit in een nog sterkere terugtrek-reactie van de andere, waardoor de eerste net de indruk krijgt dat er inderdaad geen verbondenheid meer is en het uiteindelijk ook opgeeft. 

Begrip hebben voor elkaars hechtingssysteem kan helpen in het vermijden van verkeerde conclusies en kan bijgesteld worden door betere communicatie.

14 Slotbeschouwing

Liefde is de zin van ons leven.

Immers, ons hele “mens”-zijn is gebaseerd op het gevoel van veilig zijn bij anderen.
Veiligheid is een van onze basisbehoeften tot overleven. Het is zowel één van de fysiologische noden, net zoals voedsel, drinken, warmte, als een psychische behoefte omdat we slechts in veiligheid onszelf tot een individu kunnen ontwikkelen.
Het vinden van je ware zelf is enkel mogelijk door het kunnen vertrouwen op hechtingsfiguren die je onvoorwaardelijk aanvaarden om wie je bent en die je voldoende positieve voorwaardelijke appreciatie geven voor wat je doet. Dit is onvoorwaardelijke liefde krijgen.

Onze maatschappij maakt het niet gemakkelijk om tot veilige hechting te komen. Er is nogal wat mis gelopen in de loop der geschiedenis, zodat verkeerde hechtingspatronen hebben geleid tot een opeenvolging van foute hechtingen. Daardoor mislukken nogal wat relaties. Bleven de mensen vroeger samen omdat scheiden not done was of de financiële mogelijkheden het niet toelieten terwijl er tegenwoordig massaal gescheiden wordt, dan is dit nog altijd geen garantie voor geluk.

Is de hechting met de zorgfiguren mislukt dan krijgen we nog kansen in het leven met de hulp van anderen. Met therapie, het zich omringen met de juiste, positief ingestelde, mensen, geloven in jezelf en de kracht van liefde, kan heel veel gerepareerd worden.
Het essentiële is willen werken aan jezelf en terzelfder tijd mild zijn voor jezelf , door je minder goede kanten te accepteren. Zo kan je steeds beter beginnen functioneren en groeien naar genitaal omgaan.

Niet de tijd heelt alle wonden, maar liefde.

Liefde is een ander waarderen voor wie hij is . Het moet onvoorwaardelijk zijn, dan krijg je ook liefde en waardering terug, namelijk een reactie van warmte en genegenheid vanwege de andere.
Liefde mag niet voorwaardelijk zijn. Ze mag niet leiden tot verwachtingen. Je hebt ooit de verkeerde boodschap gekregen dat je niet o.k. bent, daardoor ben je bang en “houdt van iemand” die je moet bewijzen dat je wel o.k. bent. Een ander kan onmogelijk aan die verwachting voldoen. Dit leidt tot frustraties waardoor je pijn ervaart. In feite doe je jezelf pijn. Een ander kan je geen gevoel geven, je geeft dat gevoel aan jezelf.

Zelf leren onvoorwaardelijke liefde geven met aanvaarding van de ander zoals hij is, neemt angst weg. Zonder angst leer je jezelf graag zien en blij zijn met jezelf.
Dat is de essentie.
Het is de moeite waard om je ware zelf te zijn en van jezelf te houden.
Liefde is de sleutel tot geluk.

______________________________

 15 bibliografie

6 Hechting

Hoe werkt het hechtingsproces nu precies?

bowlby-john
Het wordt door Bowlby als volgt beschreven :
Het hechtingssysteem is een gedragssysteem die de hulpeloze baby in staat stelt zich te ontwikkelen als individu binnen onze soort : de mens.
Angst is een signaal voor dreiging in de omgeving en heeft dus een beschermende functie : we moeten onszelf in veiligheid brengen om te kunnen overleven. Als baby zijn we hulpeloos en aangewezen op onze zorgfiguur om ons te beschermen en veiligheid te brengen. Het angstsysteem activeert dus hechting met een hechtingsfiguur die ons het gevoel van veiligheid moet brengen telkens wij tekenen van angst vertonen, als baby beginnen we bijv. te wenen.
Door de voortdurende interactie met de hechtingsfiguur leert de baby te hoge arousal reduceren en veiligheid ervaren. Eerst lijkt alles in de buitenwereld hem beangstigend maar gaandeweg leert de baby zijn Window Of Tolerance vergroten door telkens veiligheid te ervaren.
Naarmate het kind zich verder ontwikkelt, werken 4 gedragssystemen op elkaar in: het angstsysteem, het zorgsysteem, het nabijheidzoekend gedragssysteem, het exploratief gedragssysteem.

Samengevat leert het kind zich steeds verder, steeds zelfstandiger van zijn hechtingsfiguur te verwijderen, met de wetenschap dat het steeds naar veiligheid kan “vluchten”. Zo wordt het ondervinden van de mogelijkheid om angst te controleren, om zichzelf dus op emotioneel vlak te kunnen reguleren, de basis voor het ontwikkelen van een zelf-gevoel, een ego, een ware zelf.
Het ontwikkelen van een goed angstregulerend systeem is dus essentieel voor brede affecttolerantie, dit wil zeggen : om moeilijkheden in het leven het hoofd te kunnen bieden, trauma’s op een juiste manier te kunnen verwerken en te groeien, en dus steeds beter te functioneren.

Het toepassen van dit angstregulerend systeem gebaseerd op hechting is dus een fundament voor het kunnen op een juiste manier omgaan met alle dingen die ons in ons leven overkomen. Binnen de Window Of Tolerance is men in staat tot leren, inzicht krijgen en verwerken.
Het hechtingssysteem wordt bij alle belangrijke fasen waar interactie tussen individuen plaatsgrijpt opnieuw toegepast . Baby wordt individu, puber wordt volwassene met eigen ego, “los” van de zorgfiguren, en, essentieel voor het voortbestaan van onze soort, twee individuen vormen een paar waar elk ego tot z’n recht mag komen.
Ook alle vriendschappen en sociale contacten zijn een zoeken naar het evenwicht : “het is hier veilig om mezelf te zijn”. Of : “ik ben waardevol”, de behoefte aan waardering ter bevestiging dat we er mogen zijn als individu. Deze signalen vanuit de omgeving hebben wij constant nodig.

Is de basis echter fout, dan kan de nood aan bevestiging buitensporig zijn.
Het goed lukken van het hechtingsproces als baby zorgt voor een “veilig hechtingspatroon”: de persoon functioneert goed als mens, heeft voldoende sociale vaardigheden en kan adequaat omgaan met moeilijkheden.
Studies in de VS wijzen uit dat daar ongeveer 50% van de mensen beschikken over veilige hechting. Het zou kunnen dat deze cijfers ook voor Europa grotendeels overeenkomen. We kunnen, gezien de vele psychische problemen waarmee heden ten dage geworsteld wordt en het feit dat de maatschappij fallisch-narcistisch is, echter vermoeden dat het cijfer misschien zelfs kleiner is.
Het betekent sowieso dat het zeker voor de helft van de mensen al misloopt.

Zij hebben een onveilig hechtingspatroon waarin we kunnen onderscheiden :
angstig-vermijdend hechtingspatroon : zijn vermijdend, zijn gespannen en bang dat een relatie niet goed afloopt, stellen zich terughoudend op wat intimiteit betreft omdat ze bang zijn afgewezen te worden, ze denken van zichzelf dat ze niet goed genoeg zijn. Sterke gereserveerdheid en afstandelijkheid, minimaliseren positieve effecten van vroegere ervaringen of hebben er een slecht geheugen voor, neigen tot het idealiseren van de ouders, houden gevoelens op afstand en zien hun emotionele onafhankelijkheid als een kwaliteit. Als kind zoeken ze geen steun en troost bij de moeder, bij angst voor gevaar gaan zij zich ergens achter verstoppen i.p.v. naar hun zorgfiguur te lopen, doen alsof ze bij scheiding geen pijn of geen angst kunnen voelen (dissociatie), de relatie met de hechtingsfiguur wordt minder en minder belangrijk.
Angstig-ambivalent hechtingspatroon ,ook angstig-obsessief genoemd : willen zich heel erg binden, zijn eveneens gespannen en bang dat een relatie niet goed afloopt, willen samensmelten met de partner, maken zich erg veel zorgen of de partner wel van hen houdt, in intieme relaties neiging de partner te verstikken met die versmeltende relatie, overwaarderen hun vroegere hechtingservaringen, komen moeilijk los van ouders waarop ze nog steeds boos zijn of die ze nog steeds willen behagen, hyperalert voor tekenen van steun, acceptatie, goedkeuring, afwijzing, soms bodemloosheid (het is nooit genoeg). Als kind reageren ze sterk op scheiding, ze zoeken wel contact met hechtingsfiguur maar zijn boos of moeilijk te troosten
Gedesoriënteerd hechtingspatroon, ook gedesorganiseerd of afwijzend-vermijdend genoemd : hoog vermijdend gedrag, maken zich geen zorgen, zijn niet bang, willen hun onafhankelijkheid bewaren, stellen zich terughoudend op wat intimiteit betreft, ongeloof in de realiteit van vroegere gebeurtenissen, kunnen tijdelijke bewustzijnsveranderingen hebben, dissociatieve kenmerken,raken in verwarring bij verlies en scheiding, kunnen geen afscheid nemen, hebben moeite met dingen wegdoen, vaak borderlineproblematiek . Als kind zijn ze niet in staat om op scheiding of dreiging adequaat te reageren, hebben chaotisch gedrag, kunnen niet met stress omgaan.
– Daarnaast bestaat ook nog de volledige onthechting : zij zijn zo beschadigd dat geen hechting meer mogelijk is.
Hoofdzaak is hoe zij met de angst omgaan, enerzijds de angst om gescheiden te zijn van hun hechtingsfiguur die hen veiligheid moet geven, “angst om hechting te verliezen”, anderzijds de angst om zichzelf niet te kunnen zijn en dus afgewezen te worden, dus de “mogelijkheid tot onthechting verliezen” die ze nodig hebben om een eigen “zelf” te kunnen worden.
We zouden kunnen stellen dat vermijdend hechtingsgedrag erop wijst dat men geen vertrouwen heeft in een ander en enkel op zichzelf vertrouwt. Hier kan men kenmerken van anaal gedrag in zien : zich afzetten tegen de anderen. Opmerking hierbij is dat men meestal zichzelf nog niet kent, maar men trekt zich liever terug “in zijn schelp”dan beroep te doen op anderen. Vermijdende mensen krijgen soms het gevoel gevangen te zitten, dit zowel in werkelijkheid wanneer op een bepaald moment iemand hen te veel “vast”houdt, nl. een houding aanneemt gelijkend op die van de ouder die hen niet genoeg liet zichzelf zijn, als in hun verbeelding , wanneer zij er door de vroegere ervaringen onbewust van overtuigd zijn dat ieder ander een bedreiging is voor de ontplooiing van een “zelf”.
Sterk afhankelijk gedrag kunnen wij zien als enkel vertrouwen op de andere en niet op zichzelf, dus geen zelfvertrouwen hebben. Dit zou eerder wijzen op oraal gedrag : steeds bewijzen vragen dat men de moeite is, aandacht van de anderen vragen om bevestiging van zichzelf .
Voor borderline –type mensen zijn de angsten uitgesproken :
fusie-angst (bindingsangst), de angst om zichzelf in een ander te verliezen maakt dat zij juist degene vermijden of van degene wegvluchten, aan wie ze het meest gebonden zijn. Dit bemoeilijkt constant relaties of maakt ze onmogelijk. De fusie-angst heeft trekken van traumatische angst.
Separatie-angst (verlatingsangst) is een vorm van signaalangst : men vreest te worden verlaten. Daar deze angst met de vroege ontwikkelingsstadia samenhangt is hij vaak bijzonder heftig. Kuiper verwijst naar Bowlby voor het type dat met verhoogde separatieangst reageert : aanklampend, afhankelijk, overgevoelig voor verlating, neigend tot pathologische rouw .
In de DSM IV spreekt men, naast de ontwijkende en de afhankelijke persoonlijkheidsstoornis en de borderline stoornis, ook nog van diverse persoonlijkheidsstoornissen zoals de paranoïde, de schizoïde, de schizotypische, de antisociale, de theatrale, de narcistische en de obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis.
Blijkbaar kunnen eveneens kenmerken uit verschillende patronen in één en dezelfde persoon voorkomen. De DSM IV vermeldt deze in de restgroep van de “Persoonlijkheidsstoornis Niet Anders Omschreven “: “ Deze categorie dient voor stoornissen in het persoonlijk functioneren die niet voldoen aan de criteria van één van de specifieke persoonlijkheidsstoornissen. Een voorbeeld is de aanwezigheid van kenmerken van meer dan één specifieke persoonlijkheidsstoornis, terwijl niet voldaan wordt aan alle criteria van één van deze stoornissen afzonderlijk (gemengde persoonlijkheidsstoornis), terwijl ze met elkaar toch in significante mate lijden veroorzaken of beperkingen in één of meer belangrijke gebieden van functioneren (bijvoorbeeld sociaal of beroepsmatig).”
Bij de doorsnee, minder uitgesproken type mensen lijkt het erop dat er ook verschillende gradaties kunnen voorkomen, naast het optreden van kenmerken uit verschillende patronen terzelfder tijd.
Ik vermoed dat de reactie van beide zorgfiguren, zowel de mama als de papa, een invloed hebben op het al dan niet voorkomen van eigenschappen , en dat zelfs kenmerken zich kunnen voordoen die zich normaal zouden uitsluiten, zoals afhankelijk gedrag naar de ene persoon en vermijdend gedrag naar een ander. Hier kan het effect spelen dat een kind, naast het ontwikkelen van een eigen manier van coping, eveneens reageert op beide ouders.
Elke ouder heeft zich immers ook een patroon van reageren eigen gemaakt dat invloed heeft op hoe zij of hij omgaat met het kind. Ik denk dat het ontvangen van veel negatieve strokes of het ontbreken van strokes bepalend zijn voor hoe ernstig het kind zich afgewezen voelt door de ene of de andere ouder en dus zelf met meer afweersystemen voor verdringing van die angst zal reageren.
Later kan die grote frustratie, zoals eerder vermeld, aanleiding geven tot het revanche principe : zij zullen vaak aangetrokken zijn tot een partner die kenmerken heeft van hun frustrerende ouder, in de hoop dat zij deze partner op andere gedachten zullen kunnen brengen en zo de frustratie ongedaan zullen maken. Revanche is eerder zich afhankelijk opstellen.
Mijns inziens kan de frustrerende ouder dus zowel de moeder of de vader zijn. Zijn er frustraties met beide, dan kan men dus zowel aangetrokken zijn tot iemand die op de moeder gelijkt als revanche zoeken met iemand die op de vader gelijkt. Soms zien we dat de partner eigenlijk kenmerken van beide ouders tegelijk bezit, soms is het functioneren op één bepaalde wijze sterk uitgesproken en verwijst duidelijk naar één ouder.
De vermijdende houding kan variëren van het niet durven aangaan van relaties met personen die op de frustrerende ouder gelijkt, tot zich weinig engageren in relaties in’t algemeen, om zichzelf de pijn van het stuklopen te besparen.

vervolg : hoofdstuk 7 Verwachting