VERBONDENHEID

 

monochrome photo of couple holding hands

Een van de meest gehoorde klachten bij relatietherapie is het verlies aan verbondenheid.

Wat is dat nu precies en hoe komt het dat de ene partner het anders ervaart dan de andere?

ATTACHMENT

Een van de grote onderzoekers naar verbondenheid was de Britse psychiater John Bowlby (1907-1990) die met zijn theorie over hechting, “attachment”, het gedrag van kinderen tegenover hun ouders bestudeerde .

Het zoeken naar verbondenheid van partners in een liefdesrelatie is daarmee verwant.

Een kind is één vat emotie in zijn vroege kinderjaren. Het weet niet waar het is terecht gekomen, kan nog niets en weet nog niets, en is afhankelijk van de zorg van enkele mensen rondom hem om te kunnen overleven. Kortom, een kind is bang en zijn persoonlijkheid ontplooien en zijn rationeel verstand ontwikkelen kan maar gebeuren wanneer het een basis van veiligheid ervaart.
Enkel wanneer het zich veilig voelt zal het kunnen de wereld gaan verkennen en dingen bijleren. Bij stressmomenten zal het weer de nabijheid opzoeken van zijn zorgfiguren tot het minder angstig is of getroost is.

Bowlby concludeerde dat in contact met de zorgfiguren een gedragssysteem ontstaat om zichzelf te kunnen ontwikkelen. Het bestaat uit vier onderdelen nl. 4 systemen die bij elkaar horen en elkaar afwisselen: het angstsysteem, het zorgsysteem van de zorgfiguur, het nabijheidzoekend gedragssysteem, het exploratief gedragssysteem. Samen noemen we dit het hechtingssysteem.

Normaal kan iemand zich verder en zelfstandiger van zijn hechtingsfiguur verwijderen, met de wetenschap dat hij steeds terug naar veiligheid kan “vluchten”. De interactie met een zorgfiguur is de basis van het verminderen van angst of verdriet en het weer zakken van de stress. Dit is eigenlijk hetzelfde tussen twee volwassen partners.

Als kind krijgen we daardoor vertrouwen dat stressmoment en problemen kunnen opgelost worden, en dus dat we later zelf in staat zullen zijn met stress en verdriet om te gaan en dat alles in orde komt.

Zo worden we een voldoende zelfzeker, goed functionerend individu. We hebben de mogelijkheid onszelf maximaal te kunnen ontwikkelen in de wetenschap dat we de capaciteiten hebben om moeilijkheden in het leven het hoofd te kunnen bieden, trauma’s op een juiste manier te kunnen verwerken, te groeien, en dus steeds beter te functioneren. Eveneens is iemand met voldoende zelfvertrouwen in staat de gepaste steun te vragen van anderen.

Een goed voorbeeld hoe de stress zakt door goede respons vinden we in de tests die uitgevoerd werden door dr. Edward Tronick

Zie :  the still face experiment. Dr. Edward Tronick  

Het kind wordt angstig wanneer zijn moeder niet meer reageert op de gewenste manier.

HECHTINGSPATRONEN

Kan de zorgfiguur van een kind herhaaldelijk niet op de gepaste, dus angstreducerende manier reageren (door eigenschappen of door omstandigheden) dan zal het kind uiteindelijk zijn gedrag aanpassen naargelang de conclusies die het uiteindelijk maakt, bijvoorbeeld : “het heeft geen zin contact te zoeken met een ander , je moet het zelf oplossen”. Of bijvoorbeeld , wanneer de signalen niet consequent zijn en verwarring brengen: “je kunt niet betrouwen op anderen”, enz .

Zo zal men een verschillend type van relationeel functioneren ontwikkelen, i.e. een ander hechtingstype hebben.

In welke mate iemand beroep doet op de andere in stressmomenten is bepaald door het hechtingssysteem dat hij ontwikkelde.

Ook alle vriendschappen en sociale contacten zijn een zoeken naar het evenwicht van nabijheid of afstand naargelang de boodschap : “het is hier veilig om mezelf te zijn”. Of :
“ik ben waardevol”. Signalen van waardering ter bevestiging dat we er mogen zijn als individu vanuit de omgeving hebben wij constant nodig.

Is ons hechtingsysteem eerder “onveilig gehecht”, dan kan de nood aan bevestiging buitensporig zijn . Of anderzijds kan iemand zich meer afsluiten. Deze verschillende reacties wortelen in het verschillende patroon dat men zich eigen maakte sinds zijn kindertijd.

Typisch aan een liefdesrelatie is dat men bij de partner steun en begrip zoekt bij stressmomenten, verdriet en lastigheden. Men zoekt dus verbondenheid, namelijk een vorm van contact met de partner voor het voelen van geborgenheid. Dit is de basis van veiligheid die men moet voelen om zichzelf te kunnen zijn, zich geapprecieerd te voelen, bevestiging te krijgen van onze persoonlijkheid, erkenning te krijgen voor lastigheden waar we mee worstelen. 

De mate waarin we beroep doen op onze partner en de manier van reageren erop is afhankelijk van persoon tot persoon volgens het hechtingspatroon.

Zo kan de ene bijvoorbeeld steeds maar aansluiting zoeken in een gesprek waar de partner blijk geeft van aandacht en begrip, terwijl een ander net de boodschap wil ontvangen “doe maar, jij zult het wel zelf oplossen” door er net niét over te praten.

Deze verschillende reacties liggen vaak aan de basis van onbegrip in de relatie.

De oorzaak van deze verschillen komen voort uit het hechtingspatroon.

Naargelang de verschillende reacties heeft men 4 hechtingspatronen vastgesteld.

Deze hechtingstypes werden veelvuldig getest door o.a. Mary Ainsworth, een pupil van Bowlby. (Zie :   strange situations experiment )

1- Het goed lukken van het hechtingsproces als baby zorgt voor een “veilig hechtingspatroon”: de persoon functioneert goed als mens, heeft voldoende sociale vaardigheden en kan adequaat omgaan met moeilijkheden.
Studies in de VS wijzen uit dat ongeveer 50% van de mensen beschikken over veilige hechting.

De als “onveilige hechting” omschreven patronen zijn:

2-  angstig-vermijdend hechtingspatroon :

deze mensen zijn vermijdend, zijn gespannen en bang dat een relatie niet goed afloopt, stellen zich terughoudend op wat intimiteit betreft omdat ze bang zijn afgewezen te worden, ze denken van zichzelf dat ze niet goed genoeg zijn.

Ze hebben sterke gereserveerdheid en afstandelijkheid, minimaliseren positieve effecten van vroegere ervaringen of hebben er een slecht geheugen voor.

Ze neigen tot het idealiseren van de ouders.

Ze houden gevoelens op afstand en zien hun emotionele onafhankelijkheid als een kwaliteit.

Als kind zoeken ze geen steun en troost bij de zorgfiguur, bij angst voor gevaar gaan zij zich ergens achter verstoppen i.p.v. naar hun zorgfiguur te lopen.

Ze doen alsof ze bij scheiding geen pijn of geen angst kunnen voelen (dissociatie). De relatie met de hechtingsfiguur wordt minder en minder belangrijk.

3- Angstig-ambivalent hechtingspatroon , ook angstig-obsessief genoemd :

deze mensen willen zich heel erg binden, zijn eveneens gespannen en bang dat een relatie niet goed afloopt maar reageren op die angst met veel nabijheid zoekend gedrag   waardoor ze ahw willen samensmelten met de partner. Maken zich erg veel zorgen of de partner wel van hen houdt. Hebben in intieme relaties neiging de partner te verstikken met die versmeltende relatie.

Overwaarderen hun vroegere hechtingservaringen, komen moeilijk los van ouders waarop ze nog steeds boos zijn of die ze nog steeds willen behagen. Ze zijn hyperalert voor tekenen van steun, acceptatie, goedkeuring, afwijzing.

Soms komt bodemloosheid voor : de waardering die ze ontvangen is nooit genoeg.

Als kind reageren ze sterk op scheiding, ze zoeken wel contact met hechtingsfiguur maar zijn boos of moeilijk te troosten.

4- Gedesoriënteerd hechtingspatroon, ook gedesorganiseerd of afwijzend-vermijdend genoemd :

Deze mensen hebben hoog vermijdend gedrag, maken zich geen zorgen, zijn niet bang, willen hun onafhankelijkheid bewaren, stellen zich terughoudend op wat intimiteit betreft.

Zij hebben ongeloof in de realiteit van vroegere gebeurtenissen, kunnen tijdelijke bewustzijnsveranderingen hebben, en dissociatieve kenmerken . In extremis komt vaak borderlineproblematiek voor.

Zij raken in verwarring bij verlies en scheiding, kunnen geen afscheid nemen, hebben moeite met dingen wegdoen.

Als kind zijn ze niet in staat om op scheiding of dreiging adequaat te reageren.

Ze hebben chaotisch gedrag, kunnen niet met stress omgaan.

LIEFDESRELATIE

Deze 4 beschreven hechtingsvormen zijn uiteraard een uitgesproken typering. De meeste mensen leunen een beetje aan bij het ene of het andere type en vaak heeft men een zachtere variant. We kunnen echter wel enkele specifieke tekenen herkennen, zowel bij onszelf als bij een ander.

In een liefdesrelatie zullen wij proberen onze hechting beter te maken en negatieve ervaringen van vroeger uit te wissen. Echter stuiten reacties meestal op onbegrip omdat de hechtingspatronen verschillend zijn, zodat we soms toch nog lijken te ervaren wat we net niet wilden.

We zouden kunnen stellen dat vermijdend hechtingsgedrag erop wijst dat men geen vertrouwen heeft in een ander en enkel op zichzelf vertrouwt. Opmerking hierbij is dat men meestal zichzelf nog niet kent, maar men trekt zich liever terug “in zijn schelp” dan beroep te doen op anderen. Ook de “plantrekkers” horen hier enigszins bij.

Vermijdende mensen krijgen soms het gevoel gevangen te zitten en te veel gepusht te worden in een richting die ze niet willen.

Sterk afhankelijk gedrag kunnen wij zien als enkel vertrouwen op de andere en niet op zichzelf, dus geen zelfvertrouwen hebben. Mensen met weinig zelfvertrouwen hebben te weinig bevestiging gehad, dus zullen zij steeds vragen om bewijzen dat zij de moeite zijn. Zij vragen veel aandacht van anderen om bevestiging van zichzelf en hun manier van zijn en handelen.

Vaak zijn partners verschillend in hechtingspatroon. En wanneer partners eerder aan elkaar tegengesteld zijn van type, komen die verschillende manieren van omgaan met hechting meer tot uiting wanneer stresserende omstandigheden zich voordoen.

Niet adequaat kunen inspelen op de vraag om verbondenheid om de stress te doen dalen leidt dan enkel naar nog meer stress. 

Vandaar dat bij relatieproblemen het vermijdend gedrag van de ene onbewust het aansluitingzoekende gedrag van de andere aanwakkert.

Vaak mondt het klagen van de partner die verbinding zoekt uit in een nog sterkere terugtrek-reactie van de andere, waardoor de eerste net de indruk krijgt dat er inderdaad geen verbondenheid meer is en het uiteindelijk ook opgeeft. 

Begrip hebben voor elkaars hechtingssysteem kan helpen in het vermijden van verkeerde conclusies en kan bijgesteld worden door betere communicatie.

relatie en therapie : moeilijk of makkelijk?

Er is vaak nogal wat te doen omtrent nut van psychotherapie,  zowel in het algemeen voor persoonlijke therapie en begeleiding als voor het meer specifieke van relatietherapie.

Kunnen wij als psychotherapeuten succes garanderen?

Maar wat is “succes”?

In onze maatschappij wordt alles afgewogen : voor wat, hoort wat. Spijtig genoeg geldt dat niet in intermenselijk contact. Daar spelen andere regels.

Iedere baby leert zich te gedragen als een kleine manipulator om te kunnen verkrijgen wat hij graag heeft : “even mijn keeltje openzetten en ik wordt opgepakt en geknuffeld”. Het is een deeltje van ons overlevingssysteem, want een baby is volledig hulpeloos, dus in sé is er niks mis mee.  Maar niet altijd kan aan onze behoeften voldaan worden en met de frustraties die zo ontstaan moeten we eveneens mee leren omgaan. Door de band lukt dat wel.

Maar in hele close relaties voelen we ons juist het meest kwetsbaar en kunnen we dus ook gevoelig blijvende kwetsuren oplopen. Deze zullen eveneens alle latere relaties in zekere mate beïnvloeden. Ze kunnen ons wat meer afwachtend of eerder wat meer eisend laten worden. Soms wordt daardoor een belasting op een relatie gelegd die onoverbrugbaar lijkt.

De rol van de therapeut is dus in feite deze gevoeligheden bloot te leggen en te helpen lichter maken door inzicht.

Voor een persoon heeft het succes van de therapeut of van de therapievorm te maken met het “aanslaan” van bepaalde technieken en met het “klikken” van de persoonlijkheid van de psychotherapeut met de cliënt. Daardoor is niet altijd duidelijk welke therapie nu goed werkt en welke niet. Echter is het welzijn van iedere cliënt altijd hetgene moet voorop staan. Als integratief psychotherapeut heb ik technieken uit verschillende stromingen ter beschikking.

In relatietherapie is eveneens de persoonlijke klik en het aanslaan van technieken belangrijk, maar nog belangrijker is het ontdekken van de dynamiek die ontstaat tussen de partners.

Is de relatietherapie succesvol, dan worden dus gevoelige punten van de partners blootgelegd. Sommige problemen en spanningen kunnen inderdaad opgelost worden wanneer het duidelijk wordt wat er speelt. Soms komt men tot inzicht en begrip in zichzelf en ook in de andere, en komen zo mechanismen aan het licht, verkeerde interpretaties die we hebben, die de relatie laten vastlopen. Met een beter begrip kan men de relatie en de ontstane spanningen anders gaan bekijken.

Partners die elkaar terugvinden via de relatietherapie hebben vaak een veel betere relatie en een beter seksleven, zo blijkt. De eerste stap is de durf om de confrontatie aan te gaan en om jezelf bloot te durven geven bij de therapeut.

In sommige gevallen kan de relatie echter niet gered worden.

Het lijkt dus een ondankbare taak voor een relatietherapeut wanneer mensen besluiten uit elkaar te gaan op basis van de onoverkomelijke verschillen tussen de partners, maar dat is niet zo. Op zijn minst hebben cliënten daardoor meer inzicht in zichzelf gekregen wat hen sowieso ten goede komt.

 

Eén van de meest gekende relatietherapeuten wereldwijd is dr Sue Johnson. Haar boek “Houd me vast” , waarin zij haar therapie “Emotionally Focused Therapy for couples” uitlegt, werd een bestseller en is in vele talen vertaald. Met haar jarenlange ervaring stelt zij dat 75% van de koppels die relatietherapie volgden hun relatie konden redden en meer zelfs, hun relatie werd een heel stuk beter , evenals hun seksleven.

Ook nood aan relatietherapie ? Klik dan hier voor meer uitleg  over relatietherapie of  hier voor het maken van een afspraak .

Zie ook   deze tekst vanwege Rika Ponnet , Duet relatiebemiddeling.