6 Hechting

Hoe werkt het hechtingsproces nu precies?

bowlby-john
Het wordt door Bowlby als volgt beschreven :
Het hechtingssysteem is een gedragssysteem die de hulpeloze baby in staat stelt zich te ontwikkelen als individu binnen onze soort : de mens.
Angst is een signaal voor dreiging in de omgeving en heeft dus een beschermende functie : we moeten onszelf in veiligheid brengen om te kunnen overleven. Als baby zijn we hulpeloos en aangewezen op onze zorgfiguur om ons te beschermen en veiligheid te brengen. Het angstsysteem activeert dus hechting met een hechtingsfiguur die ons het gevoel van veiligheid moet brengen telkens wij tekenen van angst vertonen, als baby beginnen we bijv. te wenen.
Door de voortdurende interactie met de hechtingsfiguur leert de baby te hoge arousal reduceren en veiligheid ervaren. Eerst lijkt alles in de buitenwereld hem beangstigend maar gaandeweg leert de baby zijn Window Of Tolerance vergroten door telkens veiligheid te ervaren.
Naarmate het kind zich verder ontwikkelt, werken 4 gedragssystemen op elkaar in: het angstsysteem, het zorgsysteem, het nabijheidzoekend gedragssysteem, het exploratief gedragssysteem.

Samengevat leert het kind zich steeds verder, steeds zelfstandiger van zijn hechtingsfiguur te verwijderen, met de wetenschap dat het steeds naar veiligheid kan “vluchten”. Zo wordt het ondervinden van de mogelijkheid om angst te controleren, om zichzelf dus op emotioneel vlak te kunnen reguleren, de basis voor het ontwikkelen van een zelf-gevoel, een ego, een ware zelf.
Het ontwikkelen van een goed angstregulerend systeem is dus essentieel voor brede affecttolerantie, dit wil zeggen : om moeilijkheden in het leven het hoofd te kunnen bieden, trauma’s op een juiste manier te kunnen verwerken en te groeien, en dus steeds beter te functioneren.

Het toepassen van dit angstregulerend systeem gebaseerd op hechting is dus een fundament voor het kunnen op een juiste manier omgaan met alle dingen die ons in ons leven overkomen. Binnen de Window Of Tolerance is men in staat tot leren, inzicht krijgen en verwerken.
Het hechtingssysteem wordt bij alle belangrijke fasen waar interactie tussen individuen plaatsgrijpt opnieuw toegepast . Baby wordt individu, puber wordt volwassene met eigen ego, “los” van de zorgfiguren, en, essentieel voor het voortbestaan van onze soort, twee individuen vormen een paar waar elk ego tot z’n recht mag komen.
Ook alle vriendschappen en sociale contacten zijn een zoeken naar het evenwicht : “het is hier veilig om mezelf te zijn”. Of : “ik ben waardevol”, de behoefte aan waardering ter bevestiging dat we er mogen zijn als individu. Deze signalen vanuit de omgeving hebben wij constant nodig.

Is de basis echter fout, dan kan de nood aan bevestiging buitensporig zijn.
Het goed lukken van het hechtingsproces als baby zorgt voor een “veilig hechtingspatroon”: de persoon functioneert goed als mens, heeft voldoende sociale vaardigheden en kan adequaat omgaan met moeilijkheden.
Studies in de VS wijzen uit dat daar ongeveer 50% van de mensen beschikken over veilige hechting. Het zou kunnen dat deze cijfers ook voor Europa grotendeels overeenkomen. We kunnen, gezien de vele psychische problemen waarmee heden ten dage geworsteld wordt en het feit dat de maatschappij fallisch-narcistisch is, echter vermoeden dat het cijfer misschien zelfs kleiner is.
Het betekent sowieso dat het zeker voor de helft van de mensen al misloopt.

Zij hebben een onveilig hechtingspatroon waarin we kunnen onderscheiden :
angstig-vermijdend hechtingspatroon : zijn vermijdend, zijn gespannen en bang dat een relatie niet goed afloopt, stellen zich terughoudend op wat intimiteit betreft omdat ze bang zijn afgewezen te worden, ze denken van zichzelf dat ze niet goed genoeg zijn. Sterke gereserveerdheid en afstandelijkheid, minimaliseren positieve effecten van vroegere ervaringen of hebben er een slecht geheugen voor, neigen tot het idealiseren van de ouders, houden gevoelens op afstand en zien hun emotionele onafhankelijkheid als een kwaliteit. Als kind zoeken ze geen steun en troost bij de moeder, bij angst voor gevaar gaan zij zich ergens achter verstoppen i.p.v. naar hun zorgfiguur te lopen, doen alsof ze bij scheiding geen pijn of geen angst kunnen voelen (dissociatie), de relatie met de hechtingsfiguur wordt minder en minder belangrijk.
Angstig-ambivalent hechtingspatroon ,ook angstig-obsessief genoemd : willen zich heel erg binden, zijn eveneens gespannen en bang dat een relatie niet goed afloopt, willen samensmelten met de partner, maken zich erg veel zorgen of de partner wel van hen houdt, in intieme relaties neiging de partner te verstikken met die versmeltende relatie, overwaarderen hun vroegere hechtingservaringen, komen moeilijk los van ouders waarop ze nog steeds boos zijn of die ze nog steeds willen behagen, hyperalert voor tekenen van steun, acceptatie, goedkeuring, afwijzing, soms bodemloosheid (het is nooit genoeg). Als kind reageren ze sterk op scheiding, ze zoeken wel contact met hechtingsfiguur maar zijn boos of moeilijk te troosten
Gedesoriënteerd hechtingspatroon, ook gedesorganiseerd of afwijzend-vermijdend genoemd : hoog vermijdend gedrag, maken zich geen zorgen, zijn niet bang, willen hun onafhankelijkheid bewaren, stellen zich terughoudend op wat intimiteit betreft, ongeloof in de realiteit van vroegere gebeurtenissen, kunnen tijdelijke bewustzijnsveranderingen hebben, dissociatieve kenmerken,raken in verwarring bij verlies en scheiding, kunnen geen afscheid nemen, hebben moeite met dingen wegdoen, vaak borderlineproblematiek . Als kind zijn ze niet in staat om op scheiding of dreiging adequaat te reageren, hebben chaotisch gedrag, kunnen niet met stress omgaan.
– Daarnaast bestaat ook nog de volledige onthechting : zij zijn zo beschadigd dat geen hechting meer mogelijk is.
Hoofdzaak is hoe zij met de angst omgaan, enerzijds de angst om gescheiden te zijn van hun hechtingsfiguur die hen veiligheid moet geven, “angst om hechting te verliezen”, anderzijds de angst om zichzelf niet te kunnen zijn en dus afgewezen te worden, dus de “mogelijkheid tot onthechting verliezen” die ze nodig hebben om een eigen “zelf” te kunnen worden.
We zouden kunnen stellen dat vermijdend hechtingsgedrag erop wijst dat men geen vertrouwen heeft in een ander en enkel op zichzelf vertrouwt. Hier kan men kenmerken van anaal gedrag in zien : zich afzetten tegen de anderen. Opmerking hierbij is dat men meestal zichzelf nog niet kent, maar men trekt zich liever terug “in zijn schelp”dan beroep te doen op anderen. Vermijdende mensen krijgen soms het gevoel gevangen te zitten, dit zowel in werkelijkheid wanneer op een bepaald moment iemand hen te veel “vast”houdt, nl. een houding aanneemt gelijkend op die van de ouder die hen niet genoeg liet zichzelf zijn, als in hun verbeelding , wanneer zij er door de vroegere ervaringen onbewust van overtuigd zijn dat ieder ander een bedreiging is voor de ontplooiing van een “zelf”.
Sterk afhankelijk gedrag kunnen wij zien als enkel vertrouwen op de andere en niet op zichzelf, dus geen zelfvertrouwen hebben. Dit zou eerder wijzen op oraal gedrag : steeds bewijzen vragen dat men de moeite is, aandacht van de anderen vragen om bevestiging van zichzelf .
Voor borderline –type mensen zijn de angsten uitgesproken :
fusie-angst (bindingsangst), de angst om zichzelf in een ander te verliezen maakt dat zij juist degene vermijden of van degene wegvluchten, aan wie ze het meest gebonden zijn. Dit bemoeilijkt constant relaties of maakt ze onmogelijk. De fusie-angst heeft trekken van traumatische angst.
Separatie-angst (verlatingsangst) is een vorm van signaalangst : men vreest te worden verlaten. Daar deze angst met de vroege ontwikkelingsstadia samenhangt is hij vaak bijzonder heftig. Kuiper verwijst naar Bowlby voor het type dat met verhoogde separatieangst reageert : aanklampend, afhankelijk, overgevoelig voor verlating, neigend tot pathologische rouw .
In de DSM IV spreekt men, naast de ontwijkende en de afhankelijke persoonlijkheidsstoornis en de borderline stoornis, ook nog van diverse persoonlijkheidsstoornissen zoals de paranoïde, de schizoïde, de schizotypische, de antisociale, de theatrale, de narcistische en de obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis.
Blijkbaar kunnen eveneens kenmerken uit verschillende patronen in één en dezelfde persoon voorkomen. De DSM IV vermeldt deze in de restgroep van de “Persoonlijkheidsstoornis Niet Anders Omschreven “: “ Deze categorie dient voor stoornissen in het persoonlijk functioneren die niet voldoen aan de criteria van één van de specifieke persoonlijkheidsstoornissen. Een voorbeeld is de aanwezigheid van kenmerken van meer dan één specifieke persoonlijkheidsstoornis, terwijl niet voldaan wordt aan alle criteria van één van deze stoornissen afzonderlijk (gemengde persoonlijkheidsstoornis), terwijl ze met elkaar toch in significante mate lijden veroorzaken of beperkingen in één of meer belangrijke gebieden van functioneren (bijvoorbeeld sociaal of beroepsmatig).”
Bij de doorsnee, minder uitgesproken type mensen lijkt het erop dat er ook verschillende gradaties kunnen voorkomen, naast het optreden van kenmerken uit verschillende patronen terzelfder tijd.
Ik vermoed dat de reactie van beide zorgfiguren, zowel de mama als de papa, een invloed hebben op het al dan niet voorkomen van eigenschappen , en dat zelfs kenmerken zich kunnen voordoen die zich normaal zouden uitsluiten, zoals afhankelijk gedrag naar de ene persoon en vermijdend gedrag naar een ander. Hier kan het effect spelen dat een kind, naast het ontwikkelen van een eigen manier van coping, eveneens reageert op beide ouders.
Elke ouder heeft zich immers ook een patroon van reageren eigen gemaakt dat invloed heeft op hoe zij of hij omgaat met het kind. Ik denk dat het ontvangen van veel negatieve strokes of het ontbreken van strokes bepalend zijn voor hoe ernstig het kind zich afgewezen voelt door de ene of de andere ouder en dus zelf met meer afweersystemen voor verdringing van die angst zal reageren.
Later kan die grote frustratie, zoals eerder vermeld, aanleiding geven tot het revanche principe : zij zullen vaak aangetrokken zijn tot een partner die kenmerken heeft van hun frustrerende ouder, in de hoop dat zij deze partner op andere gedachten zullen kunnen brengen en zo de frustratie ongedaan zullen maken. Revanche is eerder zich afhankelijk opstellen.
Mijns inziens kan de frustrerende ouder dus zowel de moeder of de vader zijn. Zijn er frustraties met beide, dan kan men dus zowel aangetrokken zijn tot iemand die op de moeder gelijkt als revanche zoeken met iemand die op de vader gelijkt. Soms zien we dat de partner eigenlijk kenmerken van beide ouders tegelijk bezit, soms is het functioneren op één bepaalde wijze sterk uitgesproken en verwijst duidelijk naar één ouder.
De vermijdende houding kan variëren van het niet durven aangaan van relaties met personen die op de frustrerende ouder gelijkt, tot zich weinig engageren in relaties in’t algemeen, om zichzelf de pijn van het stuklopen te besparen.

vervolg : hoofdstuk 7 Verwachting

5 Afweersystemen

broken

Het oplopen van frustratie voelt dermate ongemakkelijk aan dat wij dit gevoel zoveel mogelijk zullen proberen afweren.

Iedereen gebruikt afweersystemen in meerdere of mindere mate , het is een bijkomende mogelijkheid wanneer de emoties te kort schieten om van frustraties af te raken . Naast psychisch slecht beginnen functioneren kunnen we het overmatige gebruik van afweer beschouwen als vast komen te zitten in neurotische of soms psychotische systemen door het niet kunnen verwerken van frustraties, het is te veel geworden.
Volgens prof. Dr. P.C.Kuiper is het zelfs zo dat bij bepaalde typen neurosen of psychosen voornamelijk van bepaalde afweersystemen gebruik gemaakt wordt, ze zijn als het ware een kenmerk van de psychische staat waarin men verkeert.
Zo stelt hij vast dat iedereen afweer gebruikt maar er tegelijk eigenlijk het slachtoffer van is, aangezien het soms leidt tot vastgelopen situaties die onaangenaam zijn , niet alleen voor degene die met de afweer geconfronteerd wordt, maar ook voor degene die afweert zelf.
Hij onderscheid volgende afweersystemen:
1 verdringing

Eén van de meest gebruikte afweersystemen is verdringing : een behoefte lijkt afwezig, bijv. de seksuele behoefte. Of men heeft een emotie verdrongen, bijv. boosheid of angst. De behoefte of emotie wordt volledig naar het onbewuste terug gedrongen, men is er zich niet meer van bewust.

2 overdekking door het tegendeel

De overbezorgdheid is daar een voorbeeld van. In feite voelt men impulsen die niet in overeenstemming zijn met wat de omgeving zou verwachten. Een vijandigheid of boosheid kan niet toegelaten worden en een vorm van liefde wordt gebruikt om de gevoelens van ergernis te onderdrukken, in dit geval een overmatige bezorgdheid die voor de betrokkenen in feite onaangenaam is.

3 projectie

We menen in anderen te ontdekken wat we niet kunnen waarnemen in onszelf, wat als ontoelaatbaar beschouwd wordt in onszelf. Achterdocht is daar een voorbeeld van : je denkt dat anderen iets in hun schild voeren tegen jou of boos zijn op jou terwijl je eigenlijk zelf gevoelens van boosheid hebt. We menen dat anderen ons beschuldigen terwijl we eigenlijk onszelf beschuldigen.

4 verschuiving, verplaatsing (displacement)

We zijn boos op de ene, terwijl we ons daar niet van bewust zijn omdat we het niet kunnen toelaten het te uiten, en leven onze woede uit op de andere. Soms wordt de woede naar zichzelf gekeerd, zowel lichamelijk, door een mishandeling van ons eigen lichaam, als psychisch. Zo kan ook depressie beschouwd worden als het richten van de agressie op de eigen persoonlijkheid.

5 isoleren ten opzichte van het affect

Het gevoel wordt losgemaakt van de inhoud van bepaalde gedachten over bepaalde gebeurtenissen. Men weet het wel maar men voelt het niet, men rationaliseert het. Het verschil met verdringing is dat daar ook de cognitieve inhoud onbewust is. Isoleren bevat een hele groep van afweerfuncties en omvat allerlei technieken waardoor de verbinding van psychische inhouden, functies en structuren voor een zekere tijd wordt onderbroken. Ook splitting hoort bij deze groep, het is het splitsen van een persoon, bijvoorbeeld de moeder, in enkel goed of enkel slecht omdat men moeite heeft om met de ambivalente gevoelens om te kunnen gaan. Men kan niet aannemen dat de persoon in feite beide kanten heeft.

6 ontkenning, loochening

Dit is het niet kunnen waarnemen van iets in de buitenwereld, in de werkelijkheid. Soms is het doelmatig, zoals in de eerste fase van een rouwproces, maar het wordt ondoelmatig wanneer we bijv. niet meer kunnen de juiste maatregelen treffen.

7 regressie

Dit is het omgaan met een frustrerende ervaring door terug te vallen op een eerdere fase in de ontwikkelingcyclus. Dit is dus een terugvluchten naar een manier van zijn zoals in een vroegere fase. Het is dus in feite een positief adaptief proces . Blijft men in die fase steken dan spreekt men van fixatie .Dit is een blijven vasthouden aan de kenmerken van die vorige fase en dit belemmert ons te groeien naar genitaal functioneren toe.
Opmerking : Kuiper beschrijft ook een “regressie ten dienste van het Ik” die essentieel is voor de ontplooiing : “het wegzinken in of opstijgen naar een toestand van onbeschrijfelijk, ‘woordeloos’ geluk kan men zien als het hervinden van de veiligheid die men als kind bij moeder had.”

8 identificatie

Dit betekent zich vereenzelvigen met iemand, de expressie van iemand in woord en gebaar overnemen. Het is een afweermechanisme wanneer het dient om de angst en de gevoelens van onmacht weg te werken. Een gekende vorm daarvan is het Stockholmsyndroom waar men zich gaat identificeren met zijn agressor, bijv. bij een ontvoering.
Opmerking : Identificatie heeft ook een positieve kant, en is in die functie belangrijk voor de ontwikkeling, namelijk wanneer het kind zijn rolmodel gaat imiteren . Zo wordt hij aangeleerd hoe “mens” te zijn en welke regels in onze maatschappij gelden. Het hoort bij de opvoeding.

9 turning passive into active

Dit is het anderen actief aandoen wat men zelf heeft moeten ondergaan.” Slachtoffer wordt dader”. Men heeft zich vroeger onmachtig gevoeld en probeert dit te verwerken door nu zelf de macht te nemen over iemand (of iets) anders. Soms is dit mechanisme functioneel en kan daardoor een krenking verwerkt worden. Soms werkt het echter niet en wordt het geledene eindeloos aan anderen aangedaan.
Opmerking :Het wordt nog onderscheiden van het positieve systeem : iets doen in de omkering. Dit is namelijk iets (positiefs)aan anderen geven dat men zelf graag had gewild, bijv. een knuffel of iemand verwennen.

10 compensatie

Dit is een onbewuste manier om een frustratie niet te laten doordringen door zich intensief met iets anders te gaan bezighouden. Dit kunnen heel verschillende dingen zijn, gaande van zowel te veel werken, obsessief met een hobby bezig zijn, als zich wenden tot alcohol. Typisch is het drangmatige. We zouden kunnen stellen dat dit beantwoordt aan een vluchtgedrag.
Opmerking : veel gebruikt is sublimatie Sublimeren is eigenlijk geen afweer in die zin dat het een omzetten is van frustratie op een bepaald domein naar een ander domein waar er geen conflict in bestaat, dus de frustratie wordt in iets positiefs omgezet. Men blinkt er dan zelfs in uit en maakt door het tevreden gevoel de frustratie ongedaan.
Kuiper besluit : “Er is dus een groot onderscheid tussen de verschillende manieren om met frustraties om te gaan en om op innerlijke conflicten te reageren; sommigen zijn destructief, andere adaptief en constructief…Genezen van een neurose houdt ook in, wanneer de driften niet bevredigd kunnen worden, het zich verwerven van constructieve methoden om gevoelens van spanning, verdriet en angst te overwinnen….Uiteraard kan men niet zo maar zien of iemand werkelijk zijn verlangens kan bevredigen. Rusteloosheid, zich nooit kunnen ontspannen, geeft te denken.”
Een gevoel van niet tot rust kunnen komen is iets wat velen zullen herkennen. Binnenin voelt men een constante onrust en men verlangt naar “rust” zonder te weten hoe deze te bekomen. Daaraan verbonden is het niet kunnen genieten.
Daarnaast zijn er nog andere indicaties die erop wijzen dat men niet goed functioneert. Het terugdringen van de frustraties in het onbewuste gebeurt immers niet ongestraft, ze steken met de regelmaat de kop op en de afweersystemen blijven op de duur constant aanwezig. Maar men voelt zich niet gelukkig. Het is trouwens kenmerkend dat men gelijkaardige frustraties in het onbewuste als het ware bijeenplakt in clusters. Zo wordt de opeenstapeling op een bepaald moment te groot en wordt alles “te veel”.
Wanneer de eigen persoonlijkheid goed is ontwikkeld zal het zelfbewuste individu frustraties en tegenslagen verwerken, op een bewuste manier er mee leren omgaan, gewoon door emoties toe te laten : men is bang, blij, bedroefd, boos en kan er gewoon weg mee. Dit is een goede affecttolerantie.
Lijkt een van deze emoties bij ons afwezig, dan klopt iets niet, dan mogen wij voor onszelf concluderen dat we verdringing toepassen. Zelfs indien ons verstand daar een goede uitleg voor heeft (rationalisatie).
Nog een sterke indicatie is het afwezig zijn van seksuele verlangens. De behoefte aan seks is in feite primair daar ze gelinkt is aan de voortzetting van de soort. Ook in die afwezigheid blijkt dat onze onderliggende behoefte aan veiligheid niet voldaan is en dat wij onze angst verdringen.

Volgens het circulair systeemdenken kan elk psychisch disfunctioneren als een communicatiemiddel beschouwd worden . Wanneer men niet meer de mogelijkheid heeft om in woorden duidelijk te maken dat er iets scheelt, gebruikt men als het ware een symptoomtaal om dit te verwoorden. We moeten dus kijken wat er achter het symptoom schuilt, wat de cliënt probeert uit te drukken, waar hij geen weg meer mee kan.
Freud noemde het deel van het “zelf” dat een regulerende functie heeft het Ueberich, opgebouwd via de signalen die men ontvangt vanuit de omgeving. Het geweten is er een deel van. De signalen zijn vergelijkbaar met de strokes, het Ueberich is vergelijkbaar met cognities of interfererende karakters, die soms te streng zijn en een negatief zelfbeeld veroorzaken.
Bij de cognitieve therapie wordt aandacht besteed aan wat in de cliënt leeft onder de vorm van negatieve cognities. Deze uiten zich als foutieve basisideeën die spontaan door je hoofd gaan.

Bij focusing spreekt men van interfererende karakters die de vorm aannemen van figuren die als het ware aparte stemmen hebben in je hoofd.
We kunnen interfererende karakters onderscheiden in 2 soorten :
degenen die kritiek geven en het zelfvertrouwen onderuithalen, afbrekende aangeleerde negatieve cognities. Iedereen voelt de behoefte geliefd te worden, de behoefte aan waardering die moet vervuld worden. De” interne criticus” werd ons aangeleerd door het teveel ontvangen van negatieve strokes. Het geeft aan een individu de boodschap dat hij niet o.k. is of iets niet o.k. doet. Telkens wanneer wij onszelf betrappen op een eigenschap die niet aanvaardbaar wordt geacht, zullen wij proberen deze te onderdrukken en naar het onbewuste te verplaatsen want dit leidt tot grote angst.
Daarnaast hebben we degenen die ooit als bescherming werden geïnstalleerd, als afweermechanisme, om grote angst om niet aanvaard te worden af te weren. Ze kunnen nuttig zijn maar werden op een bepaald moment onconstructief.

Zolang we het nodig hebben afweer te gebruiken betekent dit immers dat onze affecttolerantie nog niet in orde is, dat we onze emoties nog niet onder controle hebben. Het toepassen van afweer verhindert ons stappen te nemen om de Window of tolerance te vergroten. We zitten geblokkeerd.
En wanneer die coping -systemen niet meer voldoen, wanneer de clusters van negatieve gedachten in ons onbewuste te groot geworden zijn, beginnen wij slecht te functioneren. We zijn onszelf niet meer. We hebben in feite onze “ware zelf” zelfs nooit kunnen ontplooien door een fout in de hechting.
Wij voelen ons niet aanvaard zoals we zijn en dus durven we onszelf niet zijn.

Op dat moment worden wij de vijand van onszelf door geïnstalleerde zelfkritiek en angst is een rode draad die door ons leven loopt.

vervolg : hoofdstuk 6 Hechting

 

4 Behoeften en frustraties

diamant.jpg“Leven” kunnen wij beschouwen als “kunnen overleven”. Survival, ons eigen voortbestaan, is de sleutel tot het voortbestaan van onze soort, de mens.

Onze fysiologische behoeften zijn daardoor de eerste en de sterkste behoeften waaraan moet worden voldaan. Het streven naar bevrediging van diepe, grotendeels onbewuste behoeften van het individu is dus essentieel om te kunnen voortbestaan.
De fysiologische behoeften zijn : voedsel hebben, drinken hebben, uitscheiding, warmte, geen pijn, vachtcontact (de behoefte om een lichaam te voelen, te vergelijken met lichamelijke strokes), bescherming, veiligheid.

Deze drie laatste termen , vachtcontact, bescherming en veiligheid, zijn sterk verbonden aan elkaar. In de eerste levensjaren lijken ze ook een basis te zijn voor het realiseren van de andere. Immers, zolang men hulpeloze baby is, zal degene die jou bescherming biedt ook instaan voor de andere lichamelijke behoeften zonder dewelke wij fysisch niet kunnen overleven.
Daarnaast is er nog de seksuele behoefte die uiteraard in oorsprong essentieel is voor het voortbestaan van onze soort.
Aangezien de behoeften aan aandacht en waardering rechtstreeks voortvloeien uit het streven naar het gevoel van bevrediging van de primaire behoeften om te kunnen overleven, zijn deze voor ons als mens uiterst belangrijk. Zij vormen de psychische component van bescherming, namelijk het “gevoel dat men veilig is”.
In onze maatschappij zijn de fysiologische behoeften grotendeels voldaan, daardoor spelen psychische behoeften een des te grotere rol. Ze worden bij elk individu omgezet tot een grote waaier van behoeften en meer concrete verlangens die wij zoveel mogelijk proberen te realiseren om ons bevredigd te voelen.

De term “behoefte” gebruiken we voor de meer fundamentele, grotendeels onbewuste strevingen, de term “verlangen” voor de concrete vorm die ook onderling verwisselbaar is. Om bijv. je behoefte aan voedsel te voldoen, kun je kiezen uit verschillende soorten eten om voldaan te zijn. Verlangens worden dan ook gekleurd door de voorkeur, door de mogelijkheden of door de eigenschappen van ieder individu op zich.
Van de diepe behoeften en verlangens zijn wij ons nauwelijks bewust, we worden ons enkel bewust van het ongemak wanneer de behoefte of het verlangen niet voldaan wordt. We voelen dus de frustratie.
Het vermijden van frustratie is eigenlijk een streven op zich.
Frustraties door het niet voldaan geraken van bepaalde behoeften en verlangens, lopen wij constant op doordat er zich nu eenmaal allerlei gebeurtenissen voordoen gedurende ons leven. Wij gaan daar normaal mee om door onze emoties : plezierige dingen maken ons blij, verdrietige dingen maken ons bedroefd. Bang zijn hebben we nodig om gevaar te ontdekken en boos worden is de manier om een opgelopen frustratie te ventileren.

Normaliter moeten wij dus goede affecttolerantie hebben. In dat geval hoeven we het streven naar vermijding van de frustraties eigenlijk niet te hebben.
Bang zijn , als functie van alert te zijn voor gevaar, is de hoofdemotie. We worden immers angstig geboren daar we hulpeloos zijn.
Nu merken we dat bij mislukte hechting men niet meer gewoon bang voor gevaar is maar een angst buiten proportie heeft, omdat men als het ware geen bestaansrecht heeft, dus fundamentele angst om niet te mogen “zijn”. Een vorm van doodsangst.

Het constant angstig zijn maakt dat men eigenlijk niet meer adequaat kan reageren op gebeurtenissen. Men verliest zichzelf in teveel emotie of men verdringt emotie om het niet meer te voelen. Teveel emotie is controleverlies, wat ook weer leidt tot angst.
Ook kwaadheid geraakt buiten proportie : enerzijds wordt het onderdrukt, verdrongen, zowel door het gevoel van niet aanvaard te worden zoals men is, als door signalen die gegeven worden dat men “moet braaf zijn”, een negatieve stroke van: “kwaad zijn is niet goed”.

Dit lijkt een voorwaardelijke stroke omdat het over “boos gedrag” lijkt te gaan, mijns inziens is het echter een onvoorwaardelijk stroke : emoties zijn immers essentieel voor een mens. Het is onze manier van coping met de moeilijkheden en gevaren van het leven. Het niet toelaten van gezonde kwaadheid is dus zeer destructief.
Anderzijds wordt kwaadheid omgezet naar agressie tegenover anderen via afweer.

En soms is het een teken van volledig controleverlies wanneer men woedend wordt.

Deze twee vormen, agressie en woede, maken dat het natuurlijk moeilijker wordt om het onderscheid te maken met gezonde kwaadheid die elke mens moet bezitten .
Bij mislukte hechting heeft men dus geen gewone angst voor gevaar meer, maar een fundamentele angst van niet aanvaard te worden, niet onszelf te mogen zijn. Iedereen wil zich bemind voelen omdat het rechtstreeks verband houdt met ons bestaansrecht . Die fundamentele angst proberen wij weg te werken via afweersystemen.

vervolg : hoofdstuk 5 Afweersystemen

3 Het revanche principe

battle black board game chess

“Leven” bestaat hoofdzakelijk uit het hebben van interacties tussen mensen en tezelfdertijd het hoofd bieden aan moeilijkheden en dingen die ons overkomen.
Moeilijkheden moeten kunnen verwerkt worden op de juiste manier. Het belangrijkste hierbij schijnt te zijn dat wij een gezonde basis hebben kunnen opbouwen dwz een goed zelfbeeld hebben opgebouwd . Wat indien we dat goed zelfbeeld niet hebben, onze ware ik niet hebben kunnen vinden ?
We kunnen de theorie van het “levensscript” vergelijken met het “revanche principe” : wie in de eerste levensjaren gefrustreerd geraakt is door het niet vervuld geraken van behoeften aan aandacht of waardering, zal onbewust zijn verdere leven streven naar het opnieuw beleven van een dergelijke situatie in een relatie, in de hoop de frustratie te kunnen ongedaan maken.
Het is ook zo dat onze maatschappij eigenlijk gefundeerd is op een netwerk van partnerrelaties, dit oorspronkelijk voor het voortbestaan van de soort. Het zoeken naar een passende partner is dus een van de belangrijkste interacties die zich voordoen.
De mens is echter al lang voorbij het stadium van de voortplanting alleen. Misschien omdat wij door onze grote kwetsbaarheid de enige soort zijn die heel lang voor zijn jongen en ook voor elkaar moet kunnen zorgen? Een letterlijke samen -leving dus.
Om alle “gevaren” te kunnen het hoofd bieden moeten wij beschikken over een gezonde dosis zelfvertrouwen en vertrouwen in onze medemensen, dus ook in onze partner. We moeten ons goed voelen in onze relatie , willen wij onze kinderen veilig kunnen grootbrengen, willen wij alle moeilijkheden in het leven kunnen verwerken.
Waarom blijven sommige partners bij elkaar, al blijven ze constant op elkaar vitten?

Waarom schijnen sommigen steeds op een foute partner te vallen?

Waarom laten sommigen zich partnergeweld welgevallen en proberen ze steeds opnieuw?
Er zijn verschillende mogelijkheden :

Een eerste mogelijkheid is omdat zij geleerd hebben dat het zo hoort en die negatieve strokes als hun levensscript ingesteld hebben. Zij verwachten dus niets anders dan bevestiging van wat ze kennen . Hun werkelijke verlangens zijn waarschijnlijk verdrongen, of ze voelen zich niet gelukkig zonder te weten waarom. Soms wordt het werkelijk een soort testing die eindigt in : “zie je wel?”, een interne negatieve cognitie die bevestigd wordt.
Een andere mogelijkheid is dat zij verwachten dat de partner ooit nog zal veranderen en zij zo hun revanche zullen hebben. “En deze keer zal het wel lukken”. Deze mensen hebben dus verwachtingen die steeds opnieuw gefrustreerd geraken. Waarschijnlijk zullen de orale mensen degenen zijn die zich verliezen in een relatie, die te veel in de liefde investeren. Zich opofferen is immers een van de typische kenmerken.
Wat mij opvalt is dat sommigen zich toch gaan identificeren met de in gebreke gebleven ouderfiguur. Was hun vader dominant en narcistisch, dan zijn zij er dikwijls erg boos op, maar ontwikkelen tezelfdertijd dezelfde dominante en narcistische houding tegenover hun partner. Soms zijn dit meisjes en soms zijn dit jongens.

Idem met de moeder. Blijkbaar hangt de functie van rolmodel evenmin vast aan de sekse . Het “slachtoffer wordt dader”– principe geldt hier blijkbaar boven het revancheprincipe….

Hier blijkt mijns inziens dat het niet duidelijk is wie van de twee zorgfiguren het meest invloed heeft.
Is de moeder oraal en de vader fallisch of omgekeerd, dan kan het ene kind oraal zijn en het ander fallisch, ongeacht hun sekse. Het is echter typisch voor de fallische fase dat men “imiteert” want men probeert net te doen wat de “omgeving” belangrijk acht. Men identificeert zich met dus met een ouder. Logischerwijs zou dat de fallische ouder moeten zijn. En toch lijkt het alsof sommigen zich met de andere ouder identificeren.

Soms primeren zelfs andere ontwikkelingsfasen.
Deze constateringen doen bij mij het vermoeden rijzen dat , door de complexiteit van een mens, er nu eenmaal veel verschillende factoren een rol spelen in de ontwikkeling van de persoonlijkheid. Bij de “keuze” van de fase waarin men zich fixeert speelt soms ook het afweersysteem van de ” regressie” naast die van identificatie.
Volgens mij is daarmee ook bewezen dat wij potentieel alle fazen in ons hebben, dat wij “over sluimerende mogelijkheden beschikken” om onszelf méér te gaan ontwikkelen en dus om te “groeien” , maar dat wij vaak vastlopen in afweer of slecht -functioneren, zodat wij overdreven nadruk leggen op manieren van ageren van een bepaalde ontwikkelingsfase.
Sommige “eigenschappen” worden overbelicht en anderen onderbelicht wanneer het individu niet goed functioneert . Zelfs indien deze van zichzelf denkt dat hij zeer goed functioneert, heeft hij dikwijls voor zichzelf onmerkbare fouten. Ze kunnen namelijk verdrongen zijn, typisch voor fallisch functioneren, want zij willen hun fouten niet onder ogen zien.

In de TA kan men zien dat bepaalde functies bijvoorbeeld niet juist ontwikkeld zijn of dat de manier van interageren manipulatief wordt .

Dit alles duidt volgens mij op het onvoldoende goed verlopen zijn van het hechtingsproces. Immers, hoe beter de ouders functioneren, hoe beter het kind evenwichtig gestructureerd geraakt. Het kan dan zijn persoonlijkheid verder ontwikkelen tot volwassene, in de wetenschap dat het veilig is, dat het bestaansrecht heeft, dat het aanvaard wordt. Het gebruiken van afweer is in dit geval niet nodig.

Vanaf het prille begin moet de symbiose en dan later het “hechten- onthechten (loslaten)”- mechanisme er zijn. In de puberteit moet de anale fase zelfs primeren, omdat een adolescent werkelijk moet los geraken om een volwassen individu te worden, helemaal apart van de ouders.

Het hechten-onthechten –mechanisme, of de afwisseling tussen het nabijheidzoekend en het exploratief gedragssysteem zoals Bowlby preciseert, moet ervoor zorgen dat het individu zich veilig voelt zodat het zichzelf kan leren zijn, zichzelf kan aanvaarden zoals hij is, zelfs met ambetante kantjes en eveneens met het uiterlijk dat ons is meegeven.

“Ken jezelf”, accepteer jezelf, jouw manier van zijn, jouw lichaam en jouw mankementen en fouten, dit is meer genitaal functioneren.
De basis in dit hele proces lijkt mij dat de baby met tenminste één figuur in symbiose is kunnen gaan. Het veiligheidsgevoel is dan door deze figuur gecreëerd zodat het kind geleidelijk aan durft loslaten. En later moét het individu zich kunnen losmaken.
Ouders die dan zelf verwachtingen hebben naar hun kind toe, waar het kind blijkbaar frustraties van de ouder moet goedmaken, blijven dan waarschijnlijk hun kind té veel vast-houden, opeisen, gedurende de hele jeugd. Er worden van hen dingen “verwacht”. Sommigen geraken zelfs nooit los , blijven gebukt onder schuldgevoel wanneer ze zich onafhankelijker zouden willen opstellen.
Het lijkt erop dat hier een ook een revanche principe speelt. Zou het kunnen dat er soms een rolomkering gebeurt tussen ouder en kind wanneer bij een ouder de in zijn kindertijd opgelopen frustraties niet worden opgelost door de partner ?

vervolg : hoofdstuk 4 Behoeften en frustraties

2 Transactionele Analyse

eric-berneEric Berne bestudeerde in zijn Transactionele Analyse de manieren van interactie tussen mensen.
Hij concludeerde dat er in feite 5 mogelijkheden zijn om met iemand om te gaan.

Hij noemde de uitingen van hoe wij iemand waarderen “strokes”. Dit woord heeft zowel een positieve betekenis , “streling”, als een negatieve,” slag”. Je kunt immers positief beoordelen, wat wij kunnen waardering noemen, als negatief, wat wij kunnen kritiek noemen.

Signalen van beoordeling die wij in interactie met anderen ontvangen worden in ons onbewuste opgeslagen en dienen om ons zelfbeeld te vormen.
Het gaat hier om de psychische behoefte aan erkenning , nodig voor de psychologische ontwikkeling, maar evengoed is er een fysische component : aanraken is nodig om lichamelijk te overleven (nood aan prikkels).

Dit is een fundamenteel uitgangspunt in de TA : we hebben allemaal lichamelijke en psychologische strokes nodig want , zelfs al zijn ze negatief, ze zijn van even vitaal belang als zuurstof, voedsel en water. Emotionele en zintuiglijke ontbering leidt via apathie naar degeneratie van het zenuwstelsel en kan leiden tot de dood. Dit is reeds in verschillende experimenten en onderzoeken aangetoond.
Wanneer we de psychische strokes bekijken concludeerde Berne : er zijn

1 onvoorwaardelijk positieve strokes , die onvoorwaardelijke aanvaarding van ons als persoon inhouden, die ons zeggen : jij bent o.k.

2 voorwaardelijk positieve strokes , die goedkeuren hoe ons gedrag is : wat jij doet is o.k.

3 voorwaardelijke negatieve strokes : wat jij doet is niet o.k.

4 onvoorwaardelijk negatieve strokes : jij bent niet o.k.
Deze laatste is een hele destructieve manier van met iemand omgaan, het raakt zijn hele wezen, hij wordt niet aanvaard zoals hij is.
We kunnen stellen dat men veel onvoorwaardelijk positieve strokes nodig heeft omdat men zichzelf aanvaard zou kunnen voelen. Dit komt overeen met wat we onvoorwaardelijke liefde van de ouders noemen.
Daarnaast heeft men ook voorwaardelijke strokes nodig. Deze hebben betrekking op waardering voor wat we doen. Mijns inziens dienen zij om ons gedrag te sturen, ons te leren wat kan en mag.

Dus zowel positieve als negatieve kunnen we gebruiken maar wanneer de negatieve strokes echter overheersen, maakt een individu uiteindelijk een negatief zelfbeeld aan,”ik doe nooit iets goed”, waardoor hij slecht begint te functioneren.
Er is nog een 5de manier namelijk het ontbreken van strokes. Dit is het meest destructieve van alles, een mens kan niet overleven zonder strokes.
Mijns inziens leidt het ontbreken van strokes door een zorgfiguur tot een groot gevoel van verlatenheid, met een kenmerk van “leegte”. Dit wordt eveneens beschreven als één van de typische kenmerken van borderline stoornissen . De ernst zal waarschijnlijk variëren : waren er weinig of waren er géén strokes? Was één of waren beide zorgfiguren in de onmogelijkheid ze te verstrekken?
De Transactionele Analyse zegt verder dat het leerproces dat wij van onze prilste jeugd doormaken door het opnemen van strokes in ons onbewuste als basis voor het opbouwen van een zelfbeeld, onze manier van ageren op latere leeftijd bepaalt, meer specifiek in alle interacties die we meemaken en in alle relaties die we aangaan.
Iemand die aangeleerd is negatieve strokes te ontvangen, zal dus in alle interacties deze als “aangenaam” of “passend” aanzien indien hij dat patroon weer herkent.

Wij zijn dus geneigd om steeds hetzelfde patroon op te zoeken zelfs al voelen wij er ons niet goed bij. Andere patronen laten wij links liggen, want we “herkennen” ze niet. We zullen dus geneigd zijn om relaties op te zoeken die ons dezelfde strokehuishouding bezorgen.
Dit noemt Berne het “levensscript”
Hier herkennen we eveneens het feit dat sommige mensen heel moeilijk positieve waardering kunnen accepteren. Zij minimaliseren het of proberen het af te doen als verkeerd inzicht vanwege de andere. Zij hebben immers “niet geleerd” positieve strokes te aanvaarden.
We kunnen ons levensscript enkel veranderen via inzicht en aanpassingen in de strokehuishouding, nl meer positieve strokes toelaten (vergelijkbaar met het verhogen van zelfvertrouwen door het geven van positieve complimenten bij andere therapieën).
Dit kan maar wanneer we ons eerst bewust worden van de bestaande beperkingen en eveneens van de wijze waarop we onze eigen negatieve strokehuishouding in stand houden.( vergelijkbaar met interfererende karakters en negatieve cognities ) .

Nog volgens Berne heeft elke persoon een structurele indeling van een persoonlijkheid.
Een persoonlijkheid bestaat uit wat hij noemt ego-posities : Kind, Volwassene, Ouder. Ze zijn opgebouwd via onze ervaringen vanaf de prilste kindertijd. Vanuit elk van deze ego-posities kan men ageren wanneer er interactie is tussen 2 personen.
– in de Ouder positie handel en praat ik zoals ik vroeger mijn ouders en opvoeders heb zien praten.
– in de Volwassen positie verzamel ik gegevens, overweeg ik mogelijkheden, neem beslissingen. Ik denk na over de gegevens die ik van de omgeving krijg, rekening houdend met mijn normen en gevoelens gericht op het hier en nu.
– in de Kind positie handel ik zoals ik vroeger als kind dacht, voelde of handelde. Veel dingen die ik als kind deed doe ik nu nog.
Een psychisch evenwichtige, gezonde, volwassen mens heeft een bepaalde verdeling van de posities die hem in staat stellen juist te ageren op anderen : 20% Ouder positie, 35% Volwassen positie en 45% Kindpositie.
Mijns inziens verwijst de Kind positie eigenlijk naar onze “zelf”, onze eigen “Ik”, hoe wij zijn zonder invloed van anderen. Het is dan ook logisch dat dit het grootste gedeelte van een goed functionerend individu uitmaakt.
De TA maakt daarom gebruikt van deze structurele analyse van een persoon om te ontdekken of er geen “fouten” optreden die een aanwijzing zijn van slecht functioneren. Therapie bestaat dus in het weer in evenwicht brengen van de goede werking van elke positie.
In feite kunnen we nog subcategorieën bekijken, die feitelijk ontstaan doordat degenen die optraden als ouder of opvoeder, eveneens ageerden vanuit de Ouder, Volwassen en Kind posities.
Daaruit vloeit verder nog een meer gedetailleerd onderscheid, bestempeld als” functionele analyse” omdat het verband houdt met wat de ego-positie ”doet” :
*Ouderpositie:
– Kritische Ouder : die bekritiseert, veroordeelt, en stelt grenzen en beschermt (negatief : veroordelend, afkrakend, en positieve component :normstellend)
Voedende Ouder :zorgt, moedigt aan, troost en stimuleert (positief, negatieve component : overprotectief, reddend)
Beiden evenredig verdeeld in de Ouder positie
*Volwassen positie blijft: neutraal, info geven en krijgen
* Kind positie:
– Het Vrije Kind : staat niet onder de invloed van Ouderlijke beperkingen en verwachtingen, hoeft zich niet aan de regels te houden. Beslaat bijna de helft van de Kindpositie.
– Het Aangepaste Onderworpen Kind :onder de invloed van de ouders, coöperatief , acceptatie van regels en ervaring. Bijna ¼ van Het Kind
– Aangepaste Rebellerende Kind :verzet zich tegen de invloed van de ouders , eveneens ongeveer ¼ van Het Kind
– Kleine Professor :deze beslaat een klein gedeelte van Het Kind en is opgebouwd via de Volwassen positie in het Kind. De Kleine Professor weet het altijd beter en geeft uitleg. Als jong kind wist hij heel precies waarmee hij ouders of andere gezinsleden mee kon plezieren of mee kon het bloed onder de nagels vandaan halen.
Om goed te functioneren in onze maatschappij moeten dus deze ego-posities allemaal in de juiste proportie voorkomen en moet men bovendien in interactie met anderen in staat zijn om te ageren vanuit de juiste positie. Op beide vlakken kunnen zich problemen voor doen.
Mijns inziens kunnen wij in deze opbouw van het ego delen herkennen die beschreven zijn via de ontwikkelingsstadia van de behoefte aan waardering gebaseerd op Freud. Volgens mij is het dus zo dat wij al deze stadia moeten doorlopen en ons de manieren van ageren in elk stadium moeten eigen maken en in een juiste proportie moeten bezitten zodat wij in elke interactie met mensen en op elke onverwachte gebeurtenis in het leven gepast kunnen reageren terwijl wij ondertussen een gezond ego opbouwen, meer en meer onszelf worden, zelfvertrouwen krijgen.

De stadia zitten als het ware reeds bij ons ingebouwd maar we moeten ze leren ontwikkelen.
In een utopische, perfect genitaal werkende maatschappij zouden wij volledig onszelf kunnen zijn, wat misschien neerkomt op het Vrije Kind zijn en kunnen doen wat de Volwassene doet . Buiten de maatschappij die wij zelf als mensen zouden kunnen opbouwen tot meer perfectie, zijn er echter nog steeds omstandigheden waar wij geen vat op hebben : natuurrampen, ziekten… en uiteindelijk ook de dood. Met deze gegevens moeten wij ook nog steeds gepast kunnen omgaan.

vervolg : hoofdstuk 3 Het revanche principe

1 Freud

266px-Sigmund_freud_um_1905De theorie van Freud over het ontwikkelen van een ego vanaf het vroegkinderlijk stadium waren baanbrekend voor het inzicht van het functioneren van mensen in het algemeen. Het is typisch eigen aan de mens, het onderscheidt ons van alle andere dieren.
De daarop gebaseerde ontwikkelingspsychologie van de behoefte aan waardering blijkt een belangrijke sleutel temeer daar deze evolutie zich ook herhaalt in de puberteit en blijkbaar in elke midlife-crisis . We kunnen zelfs stellen dat ze zich meerdere keren in het leven voordoet bij cruciale momenten. In feite bepaalt ze eveneens al onze interacties met anderen .
Ik overloop hier even de fasen die we kunnen onderscheiden:
1)het reflexstadium :
vlak na de geboorte is de baby zich nog niet bewust van het feit dat hij een wezentje is apart van zijn moeder, hij heeft de indruk nog verbonden te zijn met mama, zij zijn nog in een fusionele fase. Het feit dat de baby in feite nog niet goed beseft dat hij geboren is, dat er een wereld is rondom hem die “vreemd” aan hem is, maakt dat dit een psychotische fase is met weinig realiteitsbesef.
Constant wordt de baby geconfronteerd met dingen die hij niet gewoon is. In de baarmoeder waren warmte, bescherming, voeding, slaap… vanzelfsprekend. Maar nu wordt de baby telkens geconfronteerd met behoeften die niet meer automatisch ingevuld worden. Hij voelt honger, pijn, kou… maar is nu volledig afhankelijk van het inspelen van mama op zijn signalen van ongemak. Hij weet met moeite wat er gebeurt en voelt vaak angst. Het overlevingsinstinct maakt dat we van bij de geboorte alert zijn voor gevaar. Ironisch genoeg moeten we bang zijn om dood te gaan om te kunnen leven.
Deze symbiose tussen moeder en kind, is één van de belangrijkste gebeurtenissen voor het zich veilig leren voelen van een mens in de buitenwereld. Het lukken van deze fase is doorslaggevend voor het latere ontstaan van veilige hechting dan wel hechtingsproblemen. Daarbij spelen volgende zaken een rol : attunement (afstemming), empathie, affectieve resonantie (zelfde golflengte), oogcontact, vocale ritmes, plezier delen. D. Stern noemde dit constant inspelen van de mama op de baby het dyadisch proces dat zorgt voor FIT-momenten. Het koesteren en geven van warmte en geborgenheid creëert een veilig – voelen.
Naar mijn aanvoelen is waarschijnlijk is ook de houding van de papa hier van groter belang dan men aanneemt. Beide zorgfiguren kunnen de baby een gevoel van veiligheid aanleren die zijn hele verdere leven zal bepalen. Het ontbreken van een aangepast inspelen op elkaar zal de baby een verkeerde indruk geven. Het is een constant afwisselen van “hechten” en “loslaten”, “onthechten” , waarbij de zich hulpeloos voelende baby situaties van onveilig voelen probeert te mijden door telkens beroep te doen op de zorgfiguren.
Centraal staat hier dus de behoefte aan veiligheid.
Mijns inziens is de afstemming van de zorgfiguren op de behoeften van een kind, het attunement, een belangrijke basis die in feite in elk volgend ontwikkelingstadium moet herhaald worden, in een vorm die mee evolueert . Naarmate een kind zich meer en meer van zijn eigen bestaan bewust wordt, zal het zich verder en langer verwijderen van de zorgfiguren maar de bevestiging van veiligheid moet herhaald worden op de juiste manier, aangepast aan de fase van het kind. Zelfs in het volwassen leven is het nog altijd belangrijk dat men het gevoel heeft te kunnen rekenen op de ouders indien men daar nood aan heeft.

2) stadium van de bewuste reflexnabootsing :
Na enkele maanden komt bij de baby stilaan het besef dat het voldaan worden van een behoefte op zich al bevredigend is, en hij begint het leuk te vinden dat, telkens hij bijvoorbeeld weent , hij opgepakt en geknuffeld en getroost wordt. De natuurlijke reflex voor zoeken van bescherming tegen ongemak wordt nu nagebootst om de aandacht te trekken. Wenen maar ook geluidjes maken, brabbelen, grimassen trekken en later ook dingen weggooien zodat mama ze zou oprapen…alle middelen worden aangewend.
Freud noemde dit de orale fase.
Centraal staat hier de behoefte voor aandacht.
Nog steeds is het kind echter vrij hulpeloos en aangewezen op de nodige aandacht vanwege de zorgfiguren. Machteloosheid is dan ook een kenmerkend gevoel voor deze fase. Geen voldoende aandacht leidt tot een gevoel van niet aanvaard worden. “Ik ben niet o.k.”
Aangezien het kind zich ook machteloos voelt om daar iets aan te veranderen, kan het gebeuren dat het niet houdt van zichzelf. Later in het leven kan dan evolueren naar zichzelf begint te haten. Jezelf haten is een destructief gevoel dat aan de basis kan liggen van depressie.
Volgens mij ontstaat hier ook het gevoel van schaamte, aangezien men zijn eigen “zelf” niet kan aanvaarden, houdt men niet van zichzelf en is men beschaamd dat men niet anders is.
3)stadium van de concurrent :
Rond de leeftijd van 2 jaar wordt het kind zich van de omgeving meer en meer bewust. Hij ondervindt namelijk dat er ook andere wezens zijn die de aandacht van mama opeisen : papa, broertje, de hond,…..dit zijn allemaal concurrenten in het krijgen van aandacht. De enige manier die hij vindt om daar mee om te gaan is het méést aandacht trekken. We willen op dat moment het liefste, het knapste, het speciaalste gevonden worden om het meest aandacht te krijgen : de behoefte voor waardering is geboren.
Hier ontstaat dus ook de diepe behoefte om later eveneens gewaardeerd te worden in elke relatie.
De behoefte voor waardering is in eerste instantie als het ware buiten proportie, maar gaandeweg , via een soort reality testing, moet dit leiden tot een evenwichtige situatie, namelijk een evenwichtige persoonlijkheid.

Heeft de behoefte aan aandacht eerder te maken met wie we zijn, dan heeft de behoefte aan waardering te maken met hoé we zijn , waardering voor wat we doen, “wat jij doet is o.k.” .
Geleidelijk leert een kind immers met het probleem van de concurrentie op verschillende manieren omgaan. In feite gaat het over vier stappen die naar het ideale omgaan met elkaar zouden moeten leiden.
1 om meest aandacht te krijgen gaat men de anderen afbreken , als het ware uit de weg ruimen. Als kind concreet : slaan, zwart maken,roddelen…
Freud noemde dit de anale fase .
Het moment dat het kind zich bewust wordt van zichzelf als individu, apart van de buitenwereld, hangt samen met de zindelijkheidstraining : het ophouden en op het juiste moment loslaten van ontlasting. Want alles draait in die fase rond het krijgen van controle over zichzelf en terzelfder tijd over de buitenwereld. Men merkt dat een kind zich dan eveneens tegen het ouderlijk gezag gaat verzetten. “Neen, ik wil niet”.
Het wordt zich bewust van zijn “ik” en het niet meer samenhangen met zijn omgeving. In een fase van meer “onthechting” probeert het kind zich te onttrekken aan de invloed van anderen om zo zijn “eigen zelf” te vinden, en probeert via zijn eigen “ik” controle over angst te krijgen.
Waren de eerste fases succesvol, dan weet het kind reeds dat het mogelijk is angst onder controle te houden. Hij heeft een brede Window Of Tolerance en kan voldoende affect tolereren. Nu leert hij hoe hij zelf zijn angst kan bedwingen.
Hij wil zich ook niet meer zo maar neerleggen bij wat de omgeving van hem vraagt en doet een krampachtige poging tot controle over deze buitenwereld, de anderen, door zich tegen hun wil te verzetten, maar dan zonder in feite al te weten wat hij zelf eigenlijk wil.
Centraal staat hier de behoefte tot verzet en tot controle.
Uiteindelijk ontdekt men ook een andere manier om te pogen waardering te krijgen :
2 om aandacht te trekken gaat men zichzelf ophemelen, pronken met wat men al kan, soms overdrijven…eigen tekortkomingen worden handig verdoezeld , men is bang om te laten zien dat men fouten heeft.
Het constant focussen op zichzelf is een vorm van narcisme waarbij fouten handig genegeerd worden. In de juiste proportie is het een noodzakelijke stap om een “zelf” te kunnen ontwikkelen. Hier leert men immers zijn eigen mogelijkheden kennen en leert men ontdekken wat “Ik wil”.
Freud noemde dit de fallische fase
Centraal staat hier het willen uitblinken in wat verondersteld wordt dat de omgeving verwacht, focussend op zijn eigen positieve punten.
Blijkbaar loopt het hier vaak vast want onze maatschappij is grotendeels fallisch-narcistisch geïnspireerd.
Cruciaal hierbij is dat het individu nog steeds veel angst heeft om aanvaard te worden en daardoor bang is om naar zijn eigen fouten te kijken.
Ik denk dat hier het schuldgevoel ontstaat. Men voelt zich schuldig dat men fouten heeft maar reageert het handig af op de anderen via afweersystemen zoals verschuiving of projectie . Een van de meest voorkomende manieren van ageren tussen mensen in onze maatschappij is de schuld op een ander schuiven en emotionele chantage toepassen. Zo worden eigen tekortkomingen verdoezeld. Het is ook typisch dat de beschuldigende volledig blind lijkt voor zijn eigen mankementen, die hij wel bemerkt in de andere.
Schuld, net zoals schaamte, zijn blokkerende gevoelens. Een “fout” kan je nog rechtzetten maar als het jouw “schuld” is heb je het gevoel dat je er niets meer kan aan veranderen. Het blijkt dus essentieel om het onderscheid tussen schuld en fout te kunnen maken. Dit komt aan bod in een volgende stap.
Het omgaan met anderen, het optimaal functioneren in interacties en in relaties met anderen wordt in feite maar bekomen in, wat genoemd wordt, de genitale fase. Hier leert het kind dat je maar optimaal kunt functioneren als je :
3 ook de anderen kunt ophemelen en kunt complimenten geven voor hun positieve punten
4 je eigen kwetsbaarheden, je fouten en onvolmaaktheden kunt toegeven
Iedereen begrijpt natuurlijk dat dit in theorie het ideale omgaan is, want het impliceert dat ieder individu de andere de nodige waardering geeft, zodat wij elk op onze beurt overtuigd geraken van onze eigenwaarde. Zo kunnen wij in interactie met anderen onze “ware ik” ontdekken en ontwikkelen, groeien, en mogen wij “onszelf” zijn. Hoe we zijn wordt aanvaard met positieve strokes .
Dit vereist echter een groot gevoel van veilig zijn, aangezien je jezelf in een afhankelijke positie brengt waar je blindelings op de ander moet vertrouwen. En blijkbaar is dat net waar het schoentje wringt….
De eerste levensjaren leeft een kind als het ware in een mini -samenleving met mensen die het in principe goed menen en zou hij het de nodige veiligheidsgevoel moeten aanleren. Het signaal van “jij bent o.k.” is de voorwaarde om al doende te leren die optimale fase te bereiken…
Blijkbaar kunnen velen de opeenvolgende stappen niet zetten en blijven steken, wat implicaties heeft op de maatschappij die zij zelf als volwassenen vormen. Slecht functionerende ouders slagen er niet in om hun kinderen voldoende veilige basis mee te geven en het hechtingsproces mislukt opnieuw. Zo ontstaat een vicieuze cirkel.
We mogen eveneens aannemen dat wij met onze neurotisch gekleurde geest niet kunnen bevatten hoe het genitaal functioneren werkelijk is. Waarschijnlijk is het op dat moment niet meer zo noodzakelijk waardering te ontvangen van anderen, we zijn ons immers van onze eigen waarde volledig bewust. We verlangen misschien geen tekenen van waardering meer, het doet misschien enkel plezier.

vervolg : hoofdstuk 2 Transactionele Analyse  

terug naar inhoudstafel